Skip to main content

Bussums Historisch Tijdschrift 26/3 (augustus 2010) pag. 27-33


De oude R.K. begraafplaats te Bussum

Klaas Oosterom

Illustraties zijn aanklikbaar voor een vergroting.
Klik hier voor de pdf van dit artikel.

 
Bussum en omgeving omstreeks 1882. Het R.K. Kerkhof is net onder de plaatsnaam Bussum getekend. Rechts daarvan P.Kerkhof, de eerste algemene begraafplaats van Bussum. (Coll. Streekarchief Gooi- en Vechtstreek) 
 

Historie van het begraven

Voor 1822 werden de doden uit Bussum begraven op het Sint-Janskerkhof (voetnoot 1) in Laren op ongeveer vier km afstand, of in de Grote Kerk van het nabij gelegen Naarden. Het Sint-Janskerkhof bereikte men langs een zandpad dat ‘Doodweg’ werd genoemd. Dit pad heet nog steeds Doodweg en loopt nu vanaf het begin van de Randweg over de hei tot de Hilversumseweg.

Vroeger begon het pad al bij de kapel in Bussum en volgde ongeveer het tracé van de huidige Laarderweg. Vermoedelijk hebben de Bussummers, sinds ze in 1707 gingen begraven op het Sint-Janskerkhof, eerst een andere route gebruikt. Zo staat er op de oudste kadastrale kaart van Bussum een meer westelijke weg met de naam Weg naar het Laarder kerkhof (voetnoot 2).

In de 18e en begin 19e eeuw spande de buurman een paard voor de wagen waarop de kist kon staan. Familie en bekenden liepen erachteraan. Bij regen sopten de klompen diep in de modder; bij sneeuw en gladheid was het nog erger. Bij sneeuw en ijzel moesten de rouwenden soms zelfs halverwege noodgedwongen weer terugkeren.

Toen Bussum in 1817 zelfstandig werd, had de gemeente ook tot taak het dodenvervoer te regelen. De regeling hield in dat als iemand kwam te overlijden de bewoner van het huis ernaast de plicht had de overledene naar het kerkhof te brengen. Beschikte hij niet over paard en wagen dan ging de verplichting over op de bewoners van het volgende huis (voetnoot 3).
Men kende ook ‘aansprekers’. Dat waren inwoners die de taak op zich hadden genomen het overlijden van iemand bekend te maken bij buren en familie en alles zo te regelen dat men op een waardige wijze naar de laatste rustplaats kon worden gebracht. Later in de 19e eeuw werd een aanspreker nogal eens begrafenisondernemer.

Het R.K. Kerkhof

Het verschil tussen een R.K. en een Algemene begraafplaats is, dat de grond van de eerste (in)gewijd is. Dit wil zeggen dat daar de zegen over is uitgesproken door een geestelijke. Alleen degenen die gedoopt zijn en hun kerkelijke plichten nakomen, mogen er begraven worden. Strikt genomen mochten baby’s die stierven voor ze gedoopt waren niet in gewijde grond begraven worden. In de praktijk gebeurde dat wel. Eenzelfde verbod gold ook voor zelfdoders. Voor hen had een kerkhof ‘achter de heg’ een stukje niet-gewijde grond.

De Bussumse katholieke begraafplaats werd in 1822 gesticht door de St-Vitusparochie. De begraafplaats is onder de derde pastoor van Bussum (sinds 1796 een eigen parochie), Henricus Kuyer, aangelegd en is op 19 september 1822 door de Aartspriester van Utrecht gewijd (er was toen nog geen aartsbisschop). Kuyer was de eerste pastoor die in het priestergraf werd begraven (1835). Leesbare grafstenen uit de periode daarvoor zijn vrijwel niet gevonden. De eerste begrafenis die in het Begrafenisboek staat vermeld, is die van 17 december 1830: J.J.J. Mol.

 
 
Plattegronden van de oude R.K. begraafplaats in 1935 (links) en nu (rechts), gemaakt door Henk de Sain (voetnoot 4)

De plattegrond van de begraafplaats

De begraafplaats is ongeveer anderhalve km ten zuidzuidwesten van het centrum van het toenmalige dorp gelegen, destijds midden op de hei. Nu ligt hij aan het eind van het westelijke perron van NS-station Bussum-Zuid. De begraafplaats is oost-west gelegen, 30 tot 45 m breed en 190 m lang, dus circa driekwart hectare. Het ontwerp zou geïnspireerd zijn door het werk van de 17e-eeuwse Franse tuinarchitect André le Nôtre.

De ingang van de begraafplaats is aan de kant van het spoor (oost) en de uitgang aan de kant van de Algemene begraafplaats (zuid). Tussen de in-en uitgang ligt een licht gebogen straat van ongeveer 40 m lang en 3,5 m breed waarop voertuigen in en uit konden rijden. Bij begrafenissen van welgestelden werd gebruik gemaakt van een door paarden getrokken lijkkoets. De paarden werden voorzien van zwarte kleden, pluimen en oogkleppen, terwijl de benen met zwart schoensmeer werden ingesmeerd. Later werden speciale lijkauto’s gebruikt. Het huis rechts van de oostelijke ingang is van 1927 en gebouwd in
Amsterdamse-Schoolstijl. Het achterste deel, dat eerst los van het huis stond, was de priesterkamer, maar werd ook als lijkenhuisje gebruikt. In het huis woonde de doodgraver (later ook wel grafdelver of grafmaker genoemd) met zijn gezin.

Na 1935 is de indeling van het terrein iets veranderd. Op de plattegronden, gemaakt op basis van oude tekeningen, zijn de volgende verschillen te zien. Op het ronde perk bij de ingang staan al zeer lang zes grote linden. De perken van de begraafplaats waren aan de hoeken iets afgerond. Aan de zijkant, bijna achteraan, was in de muur een uit- of doorgang voor personen. In de jaren ‘70 van de 20e eeuw is deze vervallen.

De begraafplaats is aan drie zijden voorzien van een laag muurtje met ezelsrug, waarop aanvankelijk een circa 2 meter hoog spijlenhek was bevestigd en een hulsthaag aan de binnenzijde. Ook het hek is in de jaren ‘70 verwijderd. Door het midden van de begraafplaats loopt een pad dat eindigt bij de Mariakapel op een Calvarieberg (Jezus’ kruisiging). Links hiervan wordt sinds enige jaren op de zondagmiddag dicht bij Allerzielen een mis opgedragen in een tent of in de open lucht.

   
Interieur priestergraf (foto Kastermans) 
 

Ook op het pad zijn graven gesitueerd. Ongeveer in het midden ligt een kelder: het priestergraf met een Piëta (Maria met gestorven Jezus). Tussen dat graf en het ronde perk bij de ingang bevinden zich twee graven.

Rondom het op de straat aansluitende ronde perk liggen eerste-klasse eigen graven; daaromheen en daarachter tweede-klasse eigen graven. Iets verder weg bevinden zich velden met eerste-klasse eigen graven, tweede-klasse huurgraven, kindergraven eigen en huur en derde-klasse huurgraven. Aan de kant van de Nieuwe Hilversumseweg langs het muurtje met de hulsthaag (ook wel goudkust genoemd) en op veld K zijn eerste-klasse keldergraven. Voor een bijzetting kunnen de zerken van de keldergraven tijdelijk worden verwijderd met een hefkraan vanaf de Nieuwe Hilversumseweg. De meeste keldergraven op veld K zijn voor woonwagenkampbewoners.

Graven konden worden gekocht voor 100 jaar. Op de rekening van het R.K. kerkbestuur St-Vitus staat vermeld dat “Alleen zij, die hun kerkelijke plichten hebben vervuld, hebben recht om in dit graf begraven te worden”. Voor katholieken van elders waren de tarieven hoger dan voor eigen parochieleden.

Er is een ruimte gereserveerd als ‘knekelput’ ten behoeve van geruimde graven. Graven kunnen ook worden geschud, dat wil zeggen na minimaal tien jaar worden de stoffelijke resten bijeen gevoegd en herbegraven in hetzelfde graf.

Graven uit de periode 1940-1945

Een flink aantal graven heeft een relatie met de Tweede Wereldoorlog. Lege grafkelders zijn zelfs als schuilplaats bij razzia’s gebruikt.

In het familiegraf van Vroom ligt H.J. Vroom, *6 augustus 1917 †5 mei 1943, met de toelichting: Hij gaf zijn leven voor het vaderland. Henri Vroom behoorde tot de Groep Dobbe en was medeverantwoordelijk voor een wapenoverval op de vesting Naarden. In 1942 werd hij gearresteerd. Omdat hij niet wilde praten en daardoor namen geheim hield, werd hij blootgesteld aan martelpraktijken. Vroom overleed in een ziekenhuis in ‘s-Hertogenbosch aan de gevolgen van de zware ondervragingen.

In vak A: Dirk Jan de Bruin *17 januari 1884 †24 oktober 1944 leest men de graftekst: ‘Den vaderland getrouwe bleef ik tot in de dood’. Zijn oudste zoon Dick vertelde in 2010 dat zijn vader door zijn werk nauwkeurige gegevens kon leveren van bedrijven die voor de Duitsers ‘kriegswichtige’ apparatuur maakten, zodat die door de Engelsen gebombardeerd konden worden. Toen hij (16 jaar oud) samen met zijn vader tijdens een razzia in Bussum via het dak probeerde te ontkomen, werd zijn vader door een sluipschutter dodelijk getroffen. Zijn werk voor het verzet is erkend.

In de oorlog woonde in een villa in Naarden, tegenover Hotel Bos van Bredius de familie Bouvy. Het verzet liet weten dat de staf van een Duits legerkorps in het hotel zat. Later bleek dat dit niet meer het geval was, maar dat bericht kwam te laat. Op woensdagmorgen 21 maart 1945 om 8 uur lieten zeven RAF Typhoons 18 bommen vallen, waarvan de eerste op de dubbele villa viel. Er was geen luchtalarm gegeven omdat de stroom uitgevallen was. De vader en drie kinderen van het gezin kwamen om, een dochtertje en de moeder overleefden. Zij liggen op dit kerkhof begraven in vak I M. In totaal kwamen negen mensen om. De villa’s en het hotel zijn niet herbouwd (voetnoot 5).

De graftekst op het keldergraf van Frans Frohn, †14-11-1944 Renswoude luidt: ‘Gefusilleerd door den vijand des Vaderlands’ als represaille voor de aanslag door anderen op een Duitse soldaat gepleegd. Christiaan Frans Frohn werd gevangen genomen bij een poging de Waal over te steken. Hij deed al illegaal werk vanaf zijn zestiende jaar.

In het enige graf van de Oorlogsgravenstichting is begraven J.H. Heijen † 8 maart 1945. ‘Gevallen voor het vaderland’. Heijen was in mei 1940 officier-vlieger, werd later gevangen gezet en was op 8 maart een van de 300 mensen die als vergelding voor de aanslag op Rauter, ter hoogte van De Woeste Hoeve, werd doodgeschoten. 

 
 
De begraafplaats in augustus 1999 ( foto Joop Ernst)

Na de Tweede Wereldoorlog

In 1952 verkocht de gemeente een terrein ter grootte van 13.500 m2 aan het rooms-katholieke kerkbestuur. Aan de zijde van de Struikheiweg werd een aparte toegang gemaakt. Vooral vanaf 1966, maar ook al eerder, hebben hier begrafenissen plaatsgevonden.

In 1973 heeft de Stichting R.K. begraafplaats St.Vitus het beheer van de oude en deze nieuwe begraafplaats overgedragen aan de gemeente Bussum. De kosten, met name van het personeel, waren zo sterk gestegen dat ondanks de subsidie van de gemeente men met exploitatietekorten werd geconfronteerd. Voor ƒ 49.734,-(ongeveer € 22.600) werden alle bezittingen en schulden van het St. Vitusbestuur overgenomen (voetnoot 6).

De laatste grafdelver van de kerk was Henk Calis (tot 1974) en de voorlaatste Jaap Ernst (1922-1953). Sinds 1974 worden geen nieuwe graven meer uitgegeven op de oude begraafplaats. Er zijn echter nog wel enkele plaatsen voor keldergraven.

Het beleid van de gemeente was de oude R.K. begraafplaats zo natuurlijk mogelijk te beheren door slechts twee keer per jaar te maaien. Er was echter veel kritiek van de bevolking over de staat van de begraafplaats en de staat van de graven. In 2002 is het beheer en onderhoud overgedragen aan de Stichting tot behoud van de oude R.K. Begraafplaats. Sinds die tijd zijn op de begraafplaats paden en beplantingen ingericht zoals men meent dat het oorspronkelijk was of bedoeld was.

De kapel, die ernstig vervallen was, is vlak na 2000 nieuw opgebouwd. Het priestergraf uit 1835 (eigenlijk een kelder) is in 2005 hersteld, in 2007 de 110 kindergraven, en diverse zerken zijn gerestaureerd. Haaks op de voormalige dienstwoning is in 2009 een houten gebouw geplaatst met daarin een kantoortje, sanitaire ruimte en een bergruimte. In 2010 zijn nieuwe smeedijzeren toegangshekken geplaatst met het opschrift Sint Vitus. Op de begraafplaats vindt slechts enkele keren per jaar een bijzetting plaats. Sinds 1822 zijn er ruim 3900 personen begraven.

Andere graven

Bij ieder graf kon vroeger een verhaal verteld worden, nu bij vele nog steeds. Het eerste dubbele keldergraf is van de familie Dreesmann. A.C.R. (Anton) Dreesmann (1854-1934) was samen met zijn vriend en zwager Willem Vroom de oprichter van het V&D concern. Daarnaast was hij de weldoener van het Bussumse Majella-Ziekenhuis (1911-1990).

In diezelfde rij bevindt zich een dubbel keldergraf van de familie Vroom. Het gezinshoofd was een achterneef van V&D-oprichter Vroom en ook werkzaam in het bedrijf. Een dubbel keldergraf van de familie Vehmeijer. Laurens Vehmeijer (1873-1956) was getrouwd met een Dreesmann en ook actief in het winkelconcern. Een dochter was getrouwd met een Bensdorp. De familie Bensdorp heeft hier ook een familiegrafkelder. Bensdorp had een cacaofabriek in Bussum en was geruime tijd de grootste werkgever. Er is een keldergraf van de familie Hoelen met J.H.A. Hoelen (1891-1987). Dokter Hoelen heeft veel betekend voor de Bussumse bevolking. Hij was zeer sociaal en actief in de Tweede Wereldoorlog en nam grote risico’s om mensen te helpen. En dan de graven van het geslacht Biegel: Joseph Hermann Biegel (1837-1922) was samen met P.J. Loman (begraven op de Algemene begraafplaats) degene die veel rijke Amsterdammers overhaalde om in Bussum te gaan wonen. Zij zijn verantwoordelijk voor de ontwikkeling van de villawijk Het Spieg(h)el. Ook ligt er een kleinkind van Biegel, Anne Biegel (1905-2004), begraven. Zij was schrijfster en publiciste en woonde in Bussum.

Op het middenpad is het graf van Frederik van Eeden (1860-1932), de bekende arts, schrijver, dichter en stichter van Walden. Op latere leeftijd bekeerde hij zich tot het katholicisme. De pastoor die hem daarbij begeleid heeft, pastoor Egbertus Beumer (18781934), ligt tegenover hem (en als enige geestelijke niet in het priestergraf). De tweede vrouw van Van Eeden, G.W. (Truus) Evers is in het graf van haar man begraven.

Het verhaal gaat dat pastoor Beumer op zijn verzoek met zijn gezicht naar de begraven parochianen ligt. Later zijn daarom de kisten in de priesterkelder alsnog gedraaid. De begrafenis die het meeste volk op de been bracht was die van de populaire pastoor Gerardus L.W.A. de Geus in 1951.

De zerken van (kelder)graven van woonwagenkampfamilies zijn opvallend royaal, uitbundig, kleurig en worden door nabestaanden zorgvuldig onderhouden. Er zijn uitgebreide familiebanden. De zusters van O.L. Vrouw van Amersfoort (Mariënburg) hebben een apart perceel dat tot 1970 is gebruikt. Daarna werden ze begraven op de Nieuwe katholieke begraafplaats. De houten kruisen zijn in de hongerwinter 1944/1945 als brandstof gebruikt. Nu zijn er twee zerken met 61 namen. Er is ook een Olaf-graf. Mgr. dr. Jan Olaf Smit stichtte in 1924 het St. Olafhuis in Bussum (de villa Op den Akker aan de Parklaan 35). Vandaaruit werden zusters uitgezonden naar Noorwegen voor missiewerk. Het huis werd in 1985 gesloten. Op het graf staan op de staande steen de namen van enige zusters. Oorspronkelijk waren hier ook Brenninkmeyers (van het C&A concern) begraven. Later zijn deze herbegraven in het familiegraf in Duitsland of in Blaricum. Herluf Christiaan Joseph Aloysius Baron Van Lamsweerde (1900-1965) (de naam Herluf komt van zijn Deense moeder) was dichter en schrijver, onder andere onder het pseudoniem Herluf van Merlet. Hij was ook actief in het verzet.

     
De grafsteen van Keesje en Keesje ( foto’s Klaas Oosterom)
 

Er zijn veel kindergraven uit de periode 1930-1945. In de oorlogsjaren waren dat vaak kinderen die stierven aan difterie of roodvonk. Aan de Plaggenweg waren barakken waar kinderen met deze besmettelijke ziekten geïsoleerd werden verpleegd. In de eerste helft van 1945 was het aantal begraven kinderen het dubbele van wat het in de voorgaande jaren was.

In een kindergraf liggen twee Keesjes. De eerste stierf toen hij 5 jaar was in 1926. Toen er in 1927 weer een jongetje werd geboren, noemden de ouders hem ook Keesje. Hij overleed in 1932 toen hij 4 jaar was. Het gezin was arm en liet aan de andere kant van de steen beide Keesjes vermelden en plaatste de steen andersom (met toestemming van nabestaanden vermeld).

 
 
De begraafplaats, gezien vanaf de kapel, richting het oosten, met recht
vooruit de Piëta en links de voormalige dienstwoning (foto Klaas Oosterom)

Er is een oud pauselijke zouaaf begraven in vak J: L.M. Vos (1844-1927). Zouaven waren katholieke vrijwilligers die in de 19e eeuw regimenten vormden die de Kerkelijke Staat in Rome moesten verdedigen tegen aanvallen van de koning van Italië.

Slot

Zo vertelt een betrekkelijk kleine begraafplaats in het Gooi veel over de mensen in een klein, arm boerendorp dat in minder dan 200 jaar uitgroeide tot een van de rijkste gemeenten van Nederland. Voor het nageslacht blijft zo dit ‘boek’ van het verleden ‘leesbaar’. Tevens getuigt het van respect en historisch verantwoordelijkheidsbesef om deze begraafplaats oorspronkelijk te houden en te onderhouden. Daar zullen degenen die een dierbare komen begraven, komen gedenken of gewoon in alle rust hier willen rondwandelen, dankbaar voor zijn.

Met dank aan Henk de Sain en Wim Majoor, vrijwilligers, Joop Heerschop, bestuurslid, pastoor Nico de Gooijer, Rijk Baarloo, gemeente Bussum, Dick de Bruin, Joop Ernst. En medewerkers van de begraafplaatsenadministratie.

Noten

  1. Een kerkhof was een begraafplaats die op het erf van een kerk werd aangelegd. Begraafplaatsen worden nu worden veelvuldig als kerkhof aangeduid, ook als ze niet bij of rond een kerk liggen.
  2. Jaap Groeneveld, ‘De doodwegen naar het Sint-Janskerhof te Laren’, Tussen Vecht en Eem, 28e jrg. nr. 1, maart 2010, pp. 35-51.
  3. J. Bruineman-Kaarsgaren en C.D. van Vliet, Dorp met de groene spieghel. C. de Boer jr. 1966.
  4. www.desain.nl/begraafplaatsbussum
  5. De Omroeper, jrg 5, nr. 2, 1992.
  6. P. Soetens, ‘100 jaar grafrust op de Bussumse algemene begraafplaats’, Contactblad Historische Kring Bussum 2/3 (1986) pag 3-17 

Klaas Oosterom was gevaarlijke stoffen specialist, maar ging na zijn pensionering iets heel anders doen. Hij is secretaris van de Historische Kring en duikt sindsdien in de historie van Bussum. De resultaten van zijn naspeuringen legt hij vast in woord en beeld.