Skip to main content
Contactblad van de Historische Kring Bussum,  jaargang 7, nummer 2 (september 1991) pag. 63-71

Van Gogh en Bussum

Marcus van der Heide

Klik hier voor de PDF versie van dit artikel
De afbeeldingen zijn aanklikbaar voor vergroting 

1990 was het Van Gogh-jaar. Immers op 29 juli was het honderd jaar geleden, dat Vincent van Gogh overleed ten gevolge van het schot dat hij op zichzelf afvuurde. Met evenveel recht kan echter ook 1991 Van Gogh-jaar genoemd worden. Theo van Gogh overleefde zijn broer Vincent nog geen half jaar; reeds op 25 januari 1891 stierf hij (in Utrecht, in het Gesticht van Dr.Moll [thans de Willem Arntzkliniek]; het medisch dossier is herfst 1990 teruggevonden: de nieuwste theorie is dat hij aan syfilis is overleden). Aan hem, de Parijse kunsthandelaar, die immer in Vincents werk geloofde en in ruil voor zijn werk hem financieel steunde, en zijn vrouw Jo[hanna] Bonger is het te danken dat de nalatenschap van Vincent voor het nageslacht bewaard is geworden. Hun zoon, de latere erfgenaam, kon omstreeks 1960 de grootste bestaande Van Gogh-collectie overdragen aan de Van Gogh-Stichting, waarvoor de Nederlandse Staat het Van Gogh-Museum in Amsterdam liet bouwen, geopend juni 1973. Maar de victorie der Van Goghs begon in 1891 vanuit Bussum !

      
   

Afbeelding rechts: Theo van Gogh, schets door J.J. Isaäcson, Van Gogh Stichting/ Van Gogh Museum Amsterdam.
Deze schilder/schrijver (geb. 1859) woonde een tijdje in Parijs en was bevriend met Theo. Opmerkelijk is, dat Vincent nooit aan een portret van Theo is toegekomen. Wel is nog een tekening van Meyer- de Haan uit 1888. De Haan, bevriend met Isaäcson, woonde sinds oktober 1888 een tijdlang bij Theo in.

Theo van Gogh trouwde op 18 april 1889 met Jo, geboren 4 oktober 1862 in Amsterdam, dochter van een makelaar in assurantiën. Haar broer Andries was een vriend van Theo. Jo schreef zelf aan Vincent, dat ze in verwachting was [Brief 601]: Ik zal beginnen je een groot nieuwtje te vertellen [. ...] dat wij deze winter, waarschijnlijk tegen februari, een baby hopen te krijgen, die wij Vincent zullen noemen als je zijn peetvader wilt zijn. Ik weet wel dat wij er niet al te veel op moeten rekenen en dat het evengoed een meisje kan zijn, maar Theo en ik stellen hem ons aitijd voor als een jongen.

      
Portret van Jo Bonger ten tijde van haar
huwelijk met Theo, Van Gogh Stichting /
Van Gogh Museum Amsterdam
 

Op 31 januari 1890 werd inderdaad een zoon geboren, die Vincent Willem [zoals Vincent voluit heet] genoemd werd.

Nog geen jaar later is Jo weduwe en eigenaar van een "overstelpende" hoeveelheid doeken [ongeveer 600 !] aquarellen en tekeningen, weliswaar geschat op f 2000,- (een hoge som in die dagen), maar gezien als non-valeurs. Want Van Gogh was niet te verkopen. Haar werd geadviseerd de boel te vernietigen, maar ze wenste een gedeelte mee te nemen naar Nederland. Haar broer maakte een keuze van 200 werken, ontving voor een "flinke partij" 200 frank en liet de rest door uitdragers weghalen (wat in de praktijk vaak betekende, dat schilderijen werden afgekrapd om het linnen weer te kunnen gebruiken). Honderden Van Goghs kwamen terecht in de straathandel. 

Villa Helma

De jonge weduwe vestigde zich mei 1891 in Bussum aan de Koningslaan 4, waar ze in villa Helma een pension begon, maar om haar kind gezonde, frisse lucht te geven ben ik in Bussum gaan wonen, schrijft ze 15-11-1891 in haar Dagboek, dat ze in Bussum weer begon bij te houden. Ze vervolgt: Behalve de zorgen voor het kind heeft Theo mij nog een andere taak nagelaten, het werk van Vincent [. . . .] ongeschonden te bewaren voor het kind.

De keuze van Bussum was verder een bewuste geweest. Jo kende Van Eeden, die in de herfst van 1890 in Parijs de ziek geworden Theo behandeld had. Daarenboven had Van Eeden in de Nieuwe Gids, december 1890. het 'eerste'  (noot 2) Van Gogh-essay geschreven, vol bewondering en eerbied voor het werk van een geniaal, nagenoeg onbekend Hollands kunstenaar, voor weinige maanden gestorven.
Zijn conclusie is : Hij heeft gezocht [.....] met een gepassioneerden ijver, eenzaam, zonder opzien of ophouden, zonder de geringste bekommering om wat men zeggen of denken zou, of wat er gebeuren zou met zijn werk en met hem zelf. Van Gogh's werk sprak Van Eeden als arts/psychiater uiteraard enorm aan. Tot op hun scheiding bezaten de Van Eedens een grooten "Zaaier" van Vincent,een der mooiste uit die serie werken op Millet geinspireerd. (noot 3)

Twee reminiscenties aan villa Helma en Jo wil ik u niet onthouden. Marie Cremers (noot 4) schrijft in haar Jeugdherinneringen [1948]: Dikwijls dronk ik koffie bij Jo op Villa Helma, de weduwe van Theo, en haar zoontje Vincent, dat toen nog een klein blond jongentje was met een primitief en zuiver profiel. Ik mocht er op den zolder in het werk van Vincent grasduinen. Er was éen schilderij, niets dan een hevige regenbui op een stuk land; dit was de Regen, fel en geurig op een donker-paarsig stuk grond. Onder de vele aangrijpende stukken trof mij dit bijzonder. 
Gedurende mei 1899 was Jeanne Reyneke van Stuwe, de verloofde van Willem Kloos, veertien dagen gast in het pension. Kloos attendeert haar in een brief [tussen 23 en 26] april 1899 op Mevrouw van Gogh: Die is de weduwe van den overleden kunstuitgever van dien naam. Ze heeft een zoontje van tien jaar, dat Vincent heet en heeft dichtbij 't station op Villa Helma een gezellig pension. Ik ken mevr. v.Gogh persoonlijk, en kom 's avonds wel eens bij haar op theevisite. Zij is een beschaafde, ontwikkelde vrouw onder de veertig jaar. Ik heb over ons engagement van haar een heel lief briefje gehad, dat ik je zal laten lezen, als je hier bent'. In een brief van 29 april schrijft hij nog: Haar zoontje heeft net een kopje, verbeeld ik mij, als van een engel op een oud-Italiaans schilderij. (noot 5)


Dit zoontje, de latere Ir.Dr. V.W. van Gogh herinnert zich in zijn opstel Johannn Gesina van Gogh-Bonger [Verzamelde Brieven van 1953/4, (noot 1) nog precies hoe het er in Helma uitzag: Op de schoorsteen hing de Aardappeleters, ernaast de [paarse] Vaas met bloemen. In de gang beneden Vincents tekeningen van de binnenplaats van het ziekenhuis te Arles en de fontein te St.Remy [....] Op de slaapkamer de drie Bloeiende Boomgaarden, de Bloeiende amandeltak, de Pieta naar Delacroix en La Veillée naar Millet.

Ook schrijft hij: De voortdurend talrijker wordende tentoonstellingen gaven mijn moeder veel werk. Jaren lang gebeurde het inpakken, en soms ook het maken van de kisten bij ons in de gang wat een geweldige rommel meebracht. Gelukkig was er in het dorp een timmerman (Verkouteren, later opgevolgd door "Janus") die van een schilder geleerd had schilderijen te emballeren.

Rechts: Pieta naar Delacroix, Saint Rémy september 1889, 73 x 60.5 cm.  Van Gogh Stichting/ Van Gogh Museum, Amsterdam.
In de laatste vier maanden van 1889 maakte Vincent 18 kopieën naar anderen. Hij schrijft aan Theo [Brief 605] : "Ik was erg somber, maar je zou niet geloven, dat ik ziek was [......] als je me aan het werk zou zien, helder van gedachten en met zo zekere vingers dat ik die Pieta heb getekend zonder ook maar na te meten."

Links: De tuin van het ziekenhuis in Arles, mei 1889. Potlood, pen, bruine inkt; 45.5x 59 cm. Van Gogh Stichting/Van Gogh Museum Amsterdam.
[In dit ziekenhuis belandde Vincent op 23 december 1888, nadat hij een stuk oor had afgesneden. Op 7 januari 1889 kon hij het hospitaal weer verlaten. Hierna volgde in mei de opname in de inrichting in Saint-Remy]

Tentoonstellingen

(noot 6) De eerste tentoonstellingen vinden intussen plaats. Jo schrijft erover in haar Dagboek 24-1-1892: Januari en februari ben ik aldoor druk bezig geweest met de schilderijen. Na oneindig veel geschrijf met Isaäcson [zie noot 2] en een bezoek van Toorop zijn er nu eindelijk 10 schilderijen bij Buffa in Amsterdam, 20 bij Oldenzeel in Rotterdam, in december kunstschouwing in Pulchri (19 dec. Den Haag) en nu Donderdag 25 Februari die in Arti [Amsterdam]. Het is een heerlijke avond geweest -iedereen die ik graag wou dat ze zouden zien is gekomen - Breitner, Israels, Witsen, Jan Veth, Jan Stricker en Kee Vos (noot 7), Martha van Eeden. Het was stampvol. De mensen vonden ze mooi. Nu ga ik in ernst en met ijver aan de brieven beginnen.

Op 26 september lezen we: Het meest aan het hart ligt me de expositie van Vincent die in December in de Panorama-zaal [in Amsterdam] zal worden worden gehouden. Jan Veth en [R.N.Roland] Holst zullen het arrangeren. Deze tentoonstelling is wat men de éérste Van Gogh-tentoonstelling pleegt te noemen: er waren niet minder dan 87 schilderijen en 20 tekeningen. Holst was de drijvende kracht, ontwierp een litho voor de omslag van de catalogus en schreef er een korte inleiding voor. Origineel was, dat hij titels als "niet van direct belang zijnde" wegliet, dus alleen jaartallen en plaatsnamen vermeldde, en nog origineler dat hij met het oog op een beter begrip van het werk een aantal citaten uit brieven van Vincent aan Theo liet afdrukken [een systeem dat later algemene toepassing vond]. Overigens ging aan deze expositie éen in Den Haag vooraf, waar 40 schilderijen en 40 tekeningen geëxposeerd waren [mei in Café Riche]. 

Brieven

(noot 8) Naast het propageren van het werk van Vincent zag Jo Bonger als haar levenswerk de publicatie van brieven van/aan de beide broers. De editie verscheen in 1914. Ze schreef er een Inleiding van 64 paginas bij, de basis voor alle Van Gogh-studie. Bijzonder is de omstandigheid dat ze Vincent alleen in de laatste drie maanden van zijn leven meegemaakt heeft en dat slechts drie keer. De eerste maal was op 17 mei 1890, toen Vincent vanuit het gesticht in Saint Rémy naar Parijs kwam om de baby te bewonderen. Hij bleef drie dagen en den eersten morgen stond hij al heel vroeg in hemdsmouwen zijn schilderijen te bekijken, waarvan ons appartement vol was, in de eetkamer, in de zitkamer, overal onder het bed, onder de sofa, onder de kasten, in het logeerkamertje [....] aldus Jo in de inleiding van Vincent van Gogh, Brieven aan zijn broeder 1914.

Inzake de informatie voor haar Inleiding heeft Jo het naast de intense bestudering van de brieven dus vooral van de verhalen van Theo en zijn moeder moeten hebben. In haar Dagboek tekent ze op 7 april 1892 aan: Sedert een paar dagen logeert Moeder van Gogh hier [....] 's Middags zitten we gezellig samen in de serre en praten over alles, over de familie aangelegenheden, alles van vroeger, dat hoor ik zo graag. Ik moet ook nog veel te weten komen omtrent Vincent - en dan ga ik 't alles opschrijven.

Van beroep was Jo lerares Engels geweest. Als bijverdienste vertaalde ze in deze Bussumse tijd, uit het Engels en het Frans, o.a. feuilletons voor De Kroniek van Tak. Haar grote verlangen was om de Brieven ook in het Engels te laten verschijnen. Zelf zette ze zich aan deze immense taak. Bij haar dood, 2 september 1925, was ze gekomen tot brief 526. 

Johan Cohen Gosschalk

In 1901 hertrouwde Jo met de schilder-schrijver over kunst Mr. Johan Cohen Gosschalk, die veel jonger was dan zij. Het gezin verhuisde toen naar de Regentesselaan 39, waar Willem Bauer Ejkenhof had neergezet. Het verhuisde twee jaar later naar Amsterdam, waar Jo tot haar dood woonde in het bovenhuis Brachthuijzerstraat 2, hoek Koninginneweg. Dezelfde schilderijen als te Bussum hingen in de kamers.

Gosschalk overleed reeds in 1912, na veel ziek te zijn geweest. Hij bezat een fijne en gevoelige geest. Na zijn dood zeide mijn moeder, dat zij dikwij1s door ziin toedoen helderder en zuiverder had leren zien. De uitgave van de Brieven heeft hij niet meer meegemaakt. Wel heeft hij de renaissance van de Vincent-appreciatie meegemaakt: met de grote Vincenttentoonstelling van 1905 in het Stedelijk Museum Amsterdam, waar meer dan 400 werken hingen en duizenden bezoekers op afkwamen, is het pleit voor Vincent gewonnen. De erkenning, waarvoor Jo Bonger sedert 1891 vanuit Bussum ijverde, was  -15 jaar na Vincents dood-  definitief geworden. 

Hausse

(noot 13) Het enige schilderij dat Vincent tijdens zijn leven officieel had verkocht, was de Rode Wijngaard: op de [jaarlijkse] Tentoonstelling van de XX [zo genoemd omdat de groep tot 20 beperkt moest blijven] in Brussel januari 1890 voor 400 francs. In deze zelfde tijd verschijnt het artikel over Vincent van Aurier [noot 2). M.a.w. het begin van erkenning was er!

Ruim twintig jaar later begint de hausse. In 1900 werd Roses trémieres nog verkocht voor 1100 francs, zes jaar later bracht het 2500 op, maar Nature morte: maqueraux, dat in 1900 voor 910 francs van eigenaar wisselde, bracht op 24-2-1919 15000 francs op. Het topstuk Nature morte [Arles 1889, 50x64] bracht in 1913 echter 35200 francs op! Van onschatbare waarde voor Nederland werd in elk geval het feit, dat -naast de collectie V.W. van Gogh Laren- mevrouw Kröller-Muller in de periode 1908-1920 de eigenares van meer dan 80 schilderijen kon worden, waardoor Nederland nog een groot Van Gogh-Museum rijk is, het Kröller-Muller Museum op de Hoge Veluwe. 

Tenslotte

In het concept van zijn laatste brief (24-7-1890) aan Theo schrijft Vincent: Heus, wij kunnen slechts onze schilderijen laten spreken. 
Hierop aansluitend een citaat van Jacqueline Roynards-Sandberg. Zij schrijft [7] Februari 1896 aan Lodewijk van Deyssel (noot 14): Gisteren heb ik in onze 'kunsthandel' [Maison Hals] schilderstukken van Van Gogh gezien, uit de verzameling van zijn zuster of zoo te Bussum. Zij schijnt ze te verkoopen, dat zou ik nu nooit doen. Ik ga er gauw weer heen, ze krijgen telkens nieuwen. Kent U ze allemaal , een maakte heel veel indruk op me, 'savonds in donker zag ik 't de heele tijd, een stadje in 't zuiden van Frankrijk bij avond. Er staan zulke groote gouden sterren aan den hemel, en die 'heele' Hollanders vinden dat erg onmogeiijk. Er was ook zoo 'n prachtig landhuisje bij, en een bloemschildering, en nog zooveel moois. [... ..] Toen ik naar Van Gogh keek vond ik 't opeens heerlijk dat hij zich zoo mooi kon uiten zonder dat hij woorden hoefde te gebruiken, dat hij zijn taal heelemaal kon vergeten en toch zoo'n boel zeggen.

Bussum, mei 1991

 NOTEN

  1. Johanna Bonger verzorgde in 1914 een eerste uitgave van brieven, Vincent van Gogh, Brieven aan zijn broeder. Haar zoon verzorgde de Verzamelde Brieven 1953/54, herdruk 1973, waarin een opstel 'Johanna Gesina van Gogh-Bonger'. Uitvoerig citeert hij hierin Johanna's DAGBOEK, dat zijop 17 jarige leeftijd begon. De periode van haar kortstondig huweljk ontbreekt er in. Mark Edo Tralbaut schreef t.g.v. de Van Gogh-Eeuwfeest tentoonstelling in het Stedelijk Museum in 1953 de rede Vincent Theo Johanna als een huldebloempje voor Johanna van Gogh-Bonger, die Vincent's palet, opengebloeid in de gloed van Theo's hart, belichtte en voor de komende geslachten bewaarde.
  2. Hieraan vooraf slechts een artikel van de criticus Aurier in het januarinummer 1890 van de Mercure de France [zie Hulsker Lotgenoten pg. 577-584 met citaten]. Aurier, een jonge schrijver die ook wel eens schilderde, is één van Vincents eerste bewonderaars. De oudste gedrukte vermelding van Vincent als kunstenaar is echter te lezen in het Amsterdamse weekblad De Portefeuille van 17 augustus 1889, waar Isaäcson schrijft: Een ken ik, 'n eenige pionier: hij staat alleen te worstelen in den grooten nacht, zijn naam, Vincent, is voor het nageslacht. In een voetnoot vermeldt hij: over dien merkwaardigen held -'t is 'n Hollander- -hoop ik later iets te kunnen zeggen. Dit artikel is nooit verschenen.
  3. Aldus De Bois in het Haarlems Dagblad van 15-9-1925 in een In Memoriam Jo van Gogh-Bonger. De Bois werkte eerst bij de kunsthandel C.M.van Gogh [= Vincents oom Cor] aan de Keizersgracht, maar bezat later een bekende kunsthandel in Haarlem.
    Van Eeden laat zich in 1907 van Martha van Vloten scheiden en treedt op 22 augustus in het huwelijk met Truida Everts, vgl. zijn Dagboek: Gister zijn we naar het kleine raadhuis geweest en op zeer stille en kiesche wijze als echtpaar in geschreven. De ambtenaar, de heer Rothe, heeft ons fijngevoelig en hulpvaardig bijgestaan met alles. 
    Uiteraard bestonden er goede contacten tussen de Van Eedens en Jo; ook is de belangstelling van Van Eeden voor het werk van Van Gogh blijvend, zie zijn Dagboeken passim [register].
  4. De schilderes Marie Cremers, geboren 1874, nam vanaf haar twintigste les bij Veth in Bussum. In haar Jeugdherinneringen (Meulenhoff; herdruk onder de titel Lichtend Verleden WB A'dam 1954) schrijft ze met name ook over de Huizer modellen. Martha van Vloten was "steeds een niet genoeg te waardeeren vriendin" (pg.33. herdruk 30). Ze tekende voor Pauls ontwaken, dat Van Eeden in 1913 schreef na de dood van zijn zoon het portret van Paul, dat in het boekje opgenomen is. Marie woonde vanaf 1936 tot haar dood in 1960 in Bussum.
  5. Jeanne logeerde van 4 mei tot 6 juni in Bussum, eerst bij mevr. B(osmans-Hamacher, Villa Louise, Koningslaan 14, hoek Meerweg), daarna veertien dagen in Villa Helma. De kosten daar waren f 2,-p.d. De betaling vond achteraf plaats. Op 9 juni schrijft Kloos: Lief, ik ben bij Mevr. v. Gogh geweest. Ze was heel aardig, ze sprak heel hartelijk over je, en verontschuldigde zich bij mij, dat ze je niet als logée kon beschouwen, zoals ze 't graag had gewild. En ze deed mij verhalen van teleurstellingen, door mensen, die gekomen zouden zijn, als niet een plotselinge kinkhoest van Vincent. . . Enfin, je begrijpt 't wel, 't was heel lief gevoeld. Ze zal rekenen twee gulden per dag. Ik vind, dat ze het nogal redelijk maakt. 
    Deze Bussumse briefwisseling, van juli 1898 tot 7 september 1899, tussen Kloos en Jeanne werd onder de titel Liefdesbrieven in 1927 uitgegeven.
  6. Over deze eerste tentoonstellingen schrijft Jan Hulsker in 150 jaar Koninkrijk der Nederlanden, Ontstaan en bestaan (1963] onder het jaar 1889 met de titel 'Zijn naam. Vincent, is voor het nage-slacht' [zie noot 2 Isaacson
    Hulsker is groot Van Gogh-kenner, schreef, na zijn promotie in 1946 over Van Gogh, een indrukwekkende reeks artikelen en boeken. De belangrijkste: van 1973 is Van Gogh door Van Gogh, een chronologische ordening en gedetailleerde studie van de brieven [Theo dateerde zijn brieven, Vincent bijna nooit!]. In 1977 volgde Van Gogh en zijn weg, al zijn tekeningen en schilderijen in hun samenhang en ontwikkeling. De studie van 670 pagina's Lotgenoten, Het leven van Vincent en Theo van Gogh verscheen in 1985. Hierin uiteraard veel aandacht voor (de rol van) Johanna Bonger.
  7. Kee Vos (-Stricker), de op een na oudste dochter van ds J.P.Stricker [de oom met wie Vincent in zijn Amsterdamse tijd zoveel te maken had gehad1 was de logee op wie Vincent in de zomer van 1881 verliefd was geraakt. Over deze onbeantwoorde liefde voor zijn nicht, Hulsker Lotgenoten 168 vlgg. Zie ook: Reindert Groot & Sjoerd de Vries Vincent van Gogh in Amsterdam Stadsuitgeverij Amsterdam 1990.
  8. In het Van Gogh-jaar 1990 verscheen een nieuwe, uitgebreide versie De Brieven van Vincent van Gogh o.r.v. Han van Crimpen en Monique Berends-Albert, SDU Uitgeverij Den Haag [908 brieven, geschreven door of gericht aan Vincent van Gogh over een periode van achttien jaar].
  9. De andere 2 ontmoetingen zijn de volgende. In juni trok het gezin van Theo een zondagje naar Vincent in Auvers, waarna hij schrijft [Brief 640]: de afgelopen zondag heeft mij- een heel aangename herinnering nagelaten; op die manier voel ik dat je minder ver van elkaar bent, en ik hoop dat we elkaar nog dikwi j'ls zullen zien. Zie verder Hulsker Lotgenoten pg. 607
    Begin juli kwam Vincent nog een keer naar Parijs, doch ontvlucht dit zo gauw mogelijk als er te veel bezoek komt, o.a. van Aurier [zie noot 2] en Toulouse-Lautrec. Lotgenoten 617 vlgg.
  10. Moeder Van Gogh overleed op 87jarige leetijd in 1907. Jo herdacht haar in de Inleiding Brieven in warme bewoordingen.
  11.  De journalist, schrijver en politicus Tak richtte in 1894 De Kroniek op, die de progressief culturele en politieke functie van De Nieuwe Gids, het tijdschrift der Tachtigers, overnam. Met zijn dood in 1907 hield De Kroniek op te bestaan. Tak woonde van 1890 tot 1893 in Bussum.
  12. Dit en het volgende citaat afkomstig uit V.W.van Goghs opstel over Johanna Bonger [zie noot 1].
  13. Zie hoofdstuk 7 De historie van Van Goghs schilderijen van François Duret-Robert in Van Gogh, Genie en wereld (1974, Ned. vertaling van de Franse editie van 1968), waarin 8 auteurs ieder een verschillend aspect met betrekking tot Van Gogh belichten. De tweede hausse begint na WO I tot de crisisjaren: in 1932 brengt Le Pont de fer de Trinquetaille [Arles 1888] 361000 francs op en La sieste [St.Rémy 1889] 280000 francs. Daarna kelderen de prijzen: Devant l'itre [Nuenen 1885.] brengt in 1933 62000 francs op, vier jaar later nog maar 48000.
    Na WO II werd het startsein in de prijzenwedloop in mei 1952 gegeven, als er 33 miljoen frank wordt betaald voor een stilleven van Cézanne. Wordt er in 1965 $ 240000 voor Les déchargeurs 
    [Arles 1888] betaald, twintig jaar later doet Korenveld met opgaande zon bij Sotheby New York 9.9 miljoen dollar. Maart 1987 werd het Zonnebloemschilderij door Christie Londen geveild voor de krankzinnige som van 22,5 miljoen pond [74 miljoen gulden]. De hele kunstwereld stond op zijn kop ......
  14. Ik heb je zoveel te vertellen, Brieven van en aan Lodewijk van Deyssel, Emile en Frans Erens en Isaac Israels. Met een voorwoord en voorzien van aantekeningen, bezorgd door Harry G.M.Prick, Baarn 1981, pg. 14.
    Het boek is met name ook interessant met het oog op Van Eeden en Kloos, die bij hem inwoont om behandeld te worden. Zie de brieven van juni en juli 1896.
    De naam van de "kunsthandel" Maison Hals wordt vermeld in de brief van [3] maart 1896.