Skip to main content

Contactblad van de Historische Kring Bussum, jaargang 1, nummer 2 (maart 1985) pag. 6-7


Over Bussum een boekje open gedaan (slot)

M.J.M. Heyne

Klik hier voor de pdf-versie van dit artikel.

In het eerste gedeelte van ons artikel, waarin citaten uit het boekje Het Gooi van Van Dokkum betreffende Bussum centraal staan, valt de realistische beschrijving van het forensendorp met de rustieke monumenten en zijn doolhof het Spiegel op.
In de nu volgende passage op pag. 158/159 geeft Van Dokkum niet alleen een ludieke visie op het dorp, maar laat daardoor ook wat van zichzelf zien.

Bussum heeft nog andere particulariteiten. Elken morgen, tusschen acht en negen uren, trekt een geheel leger van kloeke, gewikste kooplieden en andere mannelijke individuen, treinwaarts, voor den arbeid in de drukke stad. Tusschen negen en vier is het dorp nagenoeg geheel ontmand. Indien de Blaricumsche en Larensche schilders kwaad wilden (ze zijn er feitelijk volstrekt niet te goed voor) zou een Sabijnsche maagdenroof hier nog tot de mogelijkheden behooren. Het verbaast me eenigszins, dat de Larensche reclamekoning Jan Hamdorff nooit op 't idee gekomen is. Ter afwisseling zijner Pompeiaansche en andere feesten, zou dit een niet onaardig intermezzo zijn. Van Bussum zal dit overigens niet uitgaan. Het is een zeer fatsoenlijk en ingetogen dorp, waar de dames zondagsmiddags met handschoenen aan en een hoed op gaan wandelen. Op geenerlei wijze is het besmet met de zwierige onordelijkheid der schilderskolonies van Blaricum en Laren. Geschilderd werd er trouwens in de laatste jaren in 't geheel niet, want de militaire overheid schuwde alle kwasten en verftuben als staatsgevaarlijk spionnentuig. Dit laatste houdt uiteraard verband met de militaire status van de forten en de Verboden kringen waarin het dorp tot 1926 gevangen lag (voetnoot 1).

Behalve "fatsoenlijk en ingetogen" zijn de inwoners blij met hun "fleurige" dorp, waar anekdotische gebeurtenissen plaatsvinden (pag. 162/163):
Er is in het blijde, fleurige forensendorp stof tot zingen en men zingt er uit de volheid des harten, voortreffelijk en met gloed. Ook lacht men er soms weleens heel geniepig, want er zijn in Bussum enkele dingen gebeurd, die Kampen als plagiaat kan beschouwen. Een ervan moet ik hier even noteeren: het is te kostelijk, dan dat het in 't vergeetboek zou raken.

In het witte huis op den 's Gravelandschen weg, waar thans het kantoor gevestigd is van den uitgever C. J. van Dishoeck, woonde namelijk gedurende vele jaren de bekende romanschrijver H.J. Schimmel (voetnoot 2). De vroede vaderen meenden dit feit door een klein literair memento in de herinnering te moeten bestendigen, en ziedaar wat er gebeurde.

Een laan, recht tegenover dit beroemde huis moest gedoopt worden, en daar de benoeming ,,Schimmellaan" wel wat erg oudbakken klonk, zon men op een bloemrijker hulde. Er werd zwaar gepeinsd en overlegd en eindelijk kwam er een op de schitterende gedachte de laan naar een der romans van den grooten schrijver te noemen ... b.v. ,,Majoor Franslaan!" ... Het voorstel vond algemeenen bijval ... Majoor Franslaan! ...dat klonk, dat was voortreffelijk! ... En zoo werd dan met algemeene stemmen ter eere van H.J. Schimmel, de laan recht tegenover zijn woonhuis genoemd naar een roman van ... Mevr. Bosboom-Toussaint. Pas in 1917, bij de herdenking van het honderdjarig bestaan der gemeente, is deze ,,slip of the pen" hersteld, en men is toen maar over de vrees voor het rottingsproces heen gestapt en heeft de laan boutweg omgedoopt in H. J. Schimmellaan ... Sinjeur Semeynslaan had het kunnen worden, maar ... misschien was men bang, dat men zich weer zou vergissen!

Dat het niet al jolijt is, valt af te leiden uit het vervolg, waarbij de Iezer een zekere rancune van de schrijver proeft over ondervonden nalatigheid. Maar wat wil men als enige pagina's eerder alle kloeke en gewiekste kooplieden met de trein zijn vertrokken!

Dit is overigens niet de eenige verbetering, die stante pede aangebracht moest worden. Het lijkt me dringend noodig, dat men van elders een ferm stel vlotte zakenmenschen invoert, en dan al de Bussumschc leveranciers naar een onbewoond, en zoo mogelijk onbewoonbaar, eiland verbant, b.v. Schokland in de Zuiderzee: dat is niet ver uit de buurt en het vervoer per open botter op een regenachtigen herfstdag, die ruimschoots gelegenheid tot zeeziekte geeft, mag niet al te kostbaar zijn. Misschien komt er dan nog eens een tijd, dat men geen vier boodschappen behoeft te sturen aan smid, timmerman of metselaar om eenmaal geholpen te worden, en dat men niet meer de bijdrage voor de middagtafel, die tegen 5 uur besteld is, om half negen ontvangt.
Het Gooische karakter is trotsch en stug, en laat zich gaarne bidden. Bussum is misschien het eenige dorp, in Nederland (voetnoot 3), waar nalatigheid tot de volksdeugden behoort ... naar Bussumsche beschouwingswijze althans ... de forensen denken er anders over: lees ze er allen een voor een maar eens op na!

In de couranten en zelfs op het tooneel is op dit alles reeds meermalen de aandacht gevestigd; maar 't helpt niet! ... Krasse maatregelen zijn noodig!

Tenslotte veegt de Heer Van Dokkum de bittere trek rond de mond weg om te eindigen op de opgewekte toon die we van hem gewend zijn:
En des ondanks zouden we ons fleurige forensendorp voor geen goud willen missen. We hebben het lief om de groene laantjes, om de heerlijke vergezichten over blonde roggeakkers op den Huizer- en Naarderweg, om de ,,Meent" bij de Groothertoginnelaan, het wijde en weidsche natuurtheater, waar avond aan avond prachtige zonsondergangen vertoond worden, die een talrijk publiek trekken; om het aardige heuvelachtige boschpark ,,Bussum's Bloei", met z'n fijne, bekoorlijke berkenlaantjes, om de zandhei aan den Nieuwen 's Gravelandschen weg, blank strand zonder zee, waarachter de 'roodgedaakte huisjes van het dorp ligpen als Nürnberger speelgoed, en waar levendige en kleurige groepjes kinderen des zomers graven en forten bouwen. Wat zijn ze voor 't meerendeel blond deze Bussumsche kinderen! ... Hun lang weelderig haar heeft de kleur van het bleeke zand der heiden ... ze herinneren ons aan het meest Gooische van alle verzen:

Wat kan in 't Gooi een schuldloos kind
Met rozen op de frissche kaken,
Daar 't niets dan leven in zich vindt
Van dood en sterven maken?

Een meisje trippelde aan mijn zij
Van zes of nauwlijks zeven jaren ...
Wat schitterde dat oogje blij
Van onder 't blond der haren. (voetnoot 4)
 
Het is zeer wel mogelijk, dat de dichter van ,,Mei" en ,,Pan", Dr. Herman Gorter (voetnoot 5), die recht tegenover de ,,Zandhei" sedert jaren in het kleine, tusschen de boomen verscholen huis woont, deze verzen van zijn ouderen collega Nic. Beets niet mooi vindt; maar ook hij zal moeten erkennen, dat het ruime, frissche forensendorp allerminst werkt als een memento-mori: het is er een ,,nieuwe lente en een nieuw geluid".

NOTEN

  1. Zie hiervoor mijn artikel De forten rond Bussum en hun Verboden Kringen in TVE Jrg. 1 nr. 2 van mei 1983 pag. 102 vlgg.
  2. Schimmel vestigde zich na zijn pensionering in 1879 in Bussum op ANNA'S HOEVE 's Gravelandseweg 10 (waar nu de Aula van het Willem de Zwijger Collegc staat). Hier woonde hij tot zijn dood 14-11-1906.
  3. Een ouder voorbeeld van de Bussumse nonchalance geven de brieven van Kloos uit Bussum aan (zijn latere vrouw) Jeanne Reyneke van Stuwe, in 1927 door hen als Liefdesbrieven uitgegeven. Zijn grootste ergernis is de Bussumse post, "een vreselijk ongeregeld ding; ze doen daar maar, zoals 't in hun kraam te pas komt". Ze staat, zo schrijft hij 21 juni 1899, "bekend als een beetje nonchalant" en (4de brief die dag aan Jeanne!) "is soms verschrikkelijk slordig. Jouw brief b.v. die afgestempeld was 6-7 's morgens, ontving ik pas 's avonds om acht uur" (Zie Marcus van der Heide, Bussum door schrijversogen, pag 40)
  4. Het gedicht van Beets is een herdichting Met zen achten (1853) naar Wordsworth. Van der Heide citeert de laaatste regel, overigens "van onder 't zwart der haren" .
  5.  Ook Gorter vestigde zich, in 1893, in Bussum, Nieuwe 's Gravelandseweg 32 (thans 66). hoewel hij het in Bussum gaan wonen "niet geheel en al het plezierigste" vond," zo schrijft hij 25-2-1893 aan Verwey, "maar het heeft toch vóór dat ik eens met een verstandig mens kan spreken" (Van der Heide o.c. pag. 34).