Skip to main content

Bussums Historisch Tijdschrift 22/2 (september 2006) pag. 28-43


Fiets- en Wandelroute door het Spiegel

Redacteur: Lars Wieringa
Teksten van: Jolanda Budding
Foto's van: Betty Spanjaard

Klik hier voor de pdf van dit artikel.
Onderstaande illustraties zijn aanklikbaar voor een vergroting. 

"Het Spiegel vormt een in gefragmenteerde aanleg en bebouwing karakteristiek Goois villapark uit de periode 1875-1940, mede ontworpen door gerenommeerde (landschaps) architecten"; aldus de beschrijving bij de aanwijzing tot Beschermd Dorpsgezicht. Vele mensen wonen met veeI genoegen in dat bijzondere gebied of lopen of fietsen er graag in rond. 
Een ander kenmerk van het Spiegel is dat het zo uitgebreid is. De grenzen van Beschermd Dorpsgezicht het Spiegel lopen globaal tussen de westzijde van de spoorlijn, Spiegelstraat, Nassaupark, Graaf Wichmanlaan, Meentweg, Nieuwe Hilversumseweg, Beerensteinerlaan, Bredelaan, Groothertoginnelaan en Zwarteweg. Maar ook buiten dat gebied, met name bij de Nieuwe Hilversumseweg en het oostelijk gedeelte van de Beerensteinerlaan, staan enkele bijzondere panden.

In het documentatiecentrum van de HKB aan 
de Huizerweg 54 
is de routebeschrijving van
de fiets- en wandelroute met 
historische
gegevens over de geselecteerde panden in
het 
Spiegel beschikbaar (fl. 1,-)
      

De Historische Kring Bussum (HKB) heeft daarom een fiets- en wandelroute samengesteld  die een goede indruk geeft van de mooie lanen, huizen, villa's en objecten in het Spiegel.  (Vanwege het grote gebied dat het Spiegel beslaat). Omdat het Spiegel zo groot is, is er  een keuze gemaakt (in het gebied dat opgenomen kan worden in) voor deze fiets- en wandelroute. Daarin (bij) zijn niet (enkel) alleen rijks-, provinciale- of gemeentelijke  monumenten opgenomen. In totaal (maar liefst) worden er 48 panden (daarbij) beschreven.

      
   

Daarnaast heeft de HKB een DVD uitgebracht waarin het Spiegel uitgebreid aan bod komt, ondermeer via interviews met eigenaars van enkele markante villa's. Op de DVD is veel uniek beeldmateriaal opgenomen.
Uitgebreide achtergrondinformatie van 16 van de 48 panden, welke zijn opgenomen in de fiets- en wandelroute, wordt in het Tijdschrift weergegeven op de navolgende bladzijden.

De samenstellers van de Fiets- en Wandelroute zijn Guusje Hent, Dorothea van Iterson en Jan Lieste. De vormgeving en de meeste foto is van Betty Spanjaard. De teksten, die zijn opgenomen in het Tijdschrift, zijn geschreven door Jolanda Budding 

H.J. Schimmellaan 9 (ROUTE 3)
Villa Oldeberm

      
   
 

Op de H.J. Schimmellaan staat, op enige afstand van de weg, villa Oldeberm. De voortuin is van de weg afgescheiden door een hoge heg. Een oprit van grint loopt voor het huis langs. De villa doet sterk denken aan een Engels landhuis, met name door de voorgevel met het houten vakwerk, twee naast elkaar geplaatste topgevels en twee zeer markante schoorstenen. Oldeberm is ontworpen door het Bussumse architectenbureau Van der Goot en Kruisweg, en gebouwd omstreeks 1901. In de loop der tijd is de villa ingrijpend verbouwd aan de achterzijde en de zijgevels, waardoor het evenwicht tussen de goed bewaarde voorgevel en de rest van het huis verloren is gegaan.

De villa bestaat grotendeels uit twee bouwlagen en een dak dat is samengesteld uit ver overstekende zadeldaken en lessenaarsdaken, die zijn bedekt met rode dakpannen. Vrijwel alle bovenlichten van de ramen hebben een roedenverdeling - de benedenlichten hebben vroeger ook deze roedenverdeling gehad, maar die zijn bij verbouwingen in 1917 en 1925 veranderd.

De voorgevel (noordgevel) is symmetrisch van opbouw en bestaat uit een middengedeelte met de ingang en links en rechts een topgevel en een uitbouw met een lessenaarsdak. De begane grond van het middengedeelte sluit aan op het inspringende deel van de verdieping dat is ingeklemd tussen de twee topgevels. Het middengedeelte heeft op de begane grond drie roedenramen waarachter zich de hal met de trap bevindt.

De linker topgevel heeft beneden een kruiskozijn met paneelluiken en op de verdieping eenzelfde kozijn met luiken onder een klein afdakje. De topgevel, die iets uitsteekt, bestaat uit een vakwerkconstructie met een klein vierruitsvenster in het midden. Tegen de linker topgevel zit een uitbouw, vroeger was hier op de begane grond de bijkeuken, maar in 1925 is het schilddak verwijderd en is een extra verdieping op deze uitbouw geplaatst. Deze uitbreiding, ontworpen door architect Tjeerd Kuipers, past goed bij de stijl van de villa.

De rechter topgevel heeft een uitbouw met een lessenaarsdak dat overgaat in het grote dak. Het grote, rechthoekige venster op de begane grond heeft een T-vormig raam, loopt door tot aan de grond, met aan weerszijden luiken; dit is niet het originele raam.

Op de topgevels staan twee markante schoorstenen, waarvan het middelste gedeelte witgepleisterd is en het bovenste gedeelte iets uitkraagt en vakken heeft die gepleisterd zijn. De schoorstenen hebben een zadeldakje van rode dakpannen waardoor de drie pijpen van de rookkanalen steken.

De kozijnen en ramen van de voorgevel zijn groen geschilderd en hebben witte stopverfranden. Het houtwerk van de daklijsten (het vakwerk en de houten middenpartij) is groen. De luiken zijn groen omkaderd en hebben een roodwit zandlopermotief in de vakken.

De achtergevel (zuidgevel) was in het oorspronkelijke ontwerp veel soberder dan de voorgevel, maar na een aantal wijzigingen zijn er, zoals eerder is opgemerkt, weinig oorspronkelijke elementen meer over. Dit geldt eveneens voor de zijgevels. 

      
   
 

Koningslaan 2a (ROUTE 12)
Villa Gratia

Op de Koningslaan vinden we op nummer 2A de villa Gratia. Zoals het huis daar staat, aan het begin van de Koningslaan, verscholen tussen oude eiken en beuken, met zijn eenvoudige detaillering en materiaalkeuze, kunnen we de sfeer van het einde van de negentiende eeuw nog voelen en ons voorstellen hoe de rijken in die tijd woonden. Het is een van de eerste villa's die in dit gebied werden gebouwd, het stamt uit 1878.

Gratia is een voorbeeld van een vrijwel gaaf en neo-classicistisch herenhuis en is daardoor van grote historische betekenis voor Bussum. De aangrenzende tuinen maken dit pand eveneens uniek.

Het huis, dat in opdracht van Baron Schimmelpennink van der Ooyen werd gebouwd, heeft een eenvoudige, vierkante hoofdvorm. Het bestaat uit twee verdiepingen, die worden gescheiden door een kordonlijst, een uitspringende sierlijst in de muur, die om het gebouw heen loopt. Op de begane grond zijn op alle hoeken hoekblokken aangebracht die op de eerste verdieping doorlopen in pilasters. De gevels eindigen in een houten kroonlijst.

Het huis heeft twee soorten vensters. Op de begane grond zijn dat segmentboogvensters en op de eerste verdieping rechthoekige vensters. De rechthoekige omlijsting heeft twee varianten: met een kroonlijst aan de bovenkant en met een platte gedecoreerde bekroning. De kleine dakkapellen hebben een eenvoudige houten omlijsting met zijstukken die met krullen zijn versierd en een zadeldak met een driehoekig fronton, dat de gevel bekroont.

Omstreeks 1910 is de halfronde gemetselde uitbouw met balkon toegevoegd, heeft de serre gemetselde zijwanden gekregen en is er een berging aan de achterzijde bijgebouwd. 

Lomanplein (ROUTE 15)
Bank en lantaarn

      
   
 

Ooit stonden op de kruising van de Lindelaan met de Meerweg een bijzondere lantaarn en bank. In latere jaren zijn beide verplaatst naar een minder centrale locatie in Bussum; ze staan nu op het P.J. Lomanplein, daar waar de P.J. Lomanlaan en de Laan van Suchtelen van de Haare samenkomen. Het pleintje is bestraat met klinkers en kinderhoofdjes en de twee monumenten zijn omgeven door groen.

In 1904 vierde de toenmalige burgemeester van Bussum, Jonkheer van Suchtelen van de Haare, zijn zeventigste verjaardag. De burgerij gaf hem bij deze gelegenheid de bank cadeau. Vier jaar later kreeg hij, bij zijn zilveren ambtsjubileum, de lantaarn.

De monumentale, barok aandoende bank is gemaakt van hardsteen en bestaat uit twee zijvlakken, een rugleuning en een zitvlak. De zijstukken zijn in hun zijvlak geprofileerd, hebben in het smalle voorvlak een frijnslag (evenwijdige groefjes die in het steen zijn gehouwen) en dragen samen met het achterstuk het zitvlak. De rugleuning loopt door tot op de grond en is van de grond tot boven aan de zijkanten rechthoekig van vorm. Daarboven wordt de rugleuning smaller en heeft een getoogde, ronde vorm als bekroning. De inscriptie in de rugleuning luidt: "Jonkh. R. van Suchtelen van de Haare". Boven deze inscriptie is het familiewapen van Van Suchtelen van de Haare te zien, met als wapendragers twee leeuwen. Op twee uitspnngende blokjes links en rechts zijn nog de volgende data aangebracht: "18 26/12 83" en "19 12/3 09". De bank is waarschijnlijk gemaakt door de firma Weegebijs uit Amsterdam.

De lantaarn is een mooi voorbeeld van kwalitatief hoogstaand smeedwerk en bevat art nouveau-elementen. De groene vierkante, hardstenen sokkel van 1 meter, draagt een smeedijzeren lantaarn met vier lichtpunten. De voet van de sokkel is glad, het middenstuk wordt geleidelijk enigszins smaller en heeft op de hoeken een soort pilasters die ook smaller worden. Op twee van de vier vlakken tussen de pilasters zijn inscripties gemaakt. In één vlak is te lezen: "Aan Jhr. van Suchtelen van de Haare Burgemeester bij zijn zilveren ambtsjubileum de burgerij" en in het tegenoverliggende vlak zien we de datum staan: "1883-1908 26 december".

Als we de donkergroene lantaarn in zijn geheel bekijken kunnen we een aantal art nouveau-elementen aanwijzen in de versieringen van het smeedwerk. De lampenhouder is opgebouwd uit een verticaal deel dat bestaat uit vier rechthoekige staven die om een ronde buis geplaatst zijn en onderling met elkaar zijn verbonden. De staven worden aan de voet gesteund door bogen, en tussen de verticale staven zit dun, plat en sierlijk smeedijzer als decoratie. Boven eindigen de staven in een sierlijke krul. Daarboven lopen vier halfrond gebogen staven die samen twee cirkels vormen, waardoor een gedecoreerde platte band loopt. Deze combinatie suggereert een bol waaraan de vier lichtpunten zijn bevestigd. De lichtpunten bestaan uit een buis die uitloopt in twee buizen die de gracieuze lampenkap dragen met daarin de verlichting. De middenbuis van de lampenhouder loopt door de open bol heen en vormt met een krul en andere versieringen de bekroning die eindigt in een rond kapje. 

      
   
 
   
 

Zwarteweg 35 (ROUTE 20)

Deze kleine villa ligt tegenwoordig met de voorgevel dicht op de Zwarteweg, maar vroeger werd het huis aan de voorkant afgeschermd door een tuin die in een lange punt uitliep tussen de Zwarteweg en de Floralaan. Die lange punt is verdwenen, om de Floralaan haaks op de Zwarteweg te laten aansluiten. De tuin is daardoor erg klein geworden. Heel bijzonder is het entreehek naar de villa, dat rijk gedecoreerd is met Jugendstil-ornamenten en ooit onderdeel vormde van een houten hek, maar nu tussen hoge heggen in staat.

De villa die we hier zien, stamt uit het eind van de 19de eeuw en heeft kenmerken gemeen met de Engelse cottages en Zwitserse chalets. Het huis is gebouwd als exponent van het 19de-eeuwse 'schone-luchtverlangen', het streven naar buitenleven, naar frisse lucht en zon, wat tot uiting komt in de veranda's, balkons en erkers.

De hoofdvorm van de villa is een rechthoek en het gebouw heeft een aantal uitbouwen. Het bestaat uit één bouwlaag onder een hoog opgaand schilddak dat is bedekt met rode Tuiles du Nord-pannen met vorstpannen. De verdieping krijgt zijn licht van drie topgevels aan de voorgevel en de zijgevels. Tussen de eerste bouwlaag en het dak zit een iets uitkragende vakwerkconstructie met regels, stijlen en diagonalen, die over alle gevels loopt en ook in de drie topgevels doorloopt. Alle gevels zijn witgepleisterd en hebben een bakstenen plint. Het dak heeft aan de voet een halfronde zinken goot in beugels. Alle ramen en deuren op de begane grond hebben paneelluiken met in het midden een uitgezaagd bloemmotief en aan de bovenkant een versierde loden strip. De bovenlichten van ramen en deuren zijn voorzien van een roedenverdeling.

De muren zijn crèmekleurig, de kozijnen bruin en de ramen en deuren (ook de voordeur) zijn wit geschilderd. De paneelluiken hebben witte vlakken met een bruine rand. Het hekwerk aan de Zwarteweg is wit. Al het houtwerk (de lijsten, de balustrades, de vakwerkconstructies enz.) is bruin, net als de zinken goot.

In de voorgevel aan de noordwestzijde zit links de voordeur onder een luifel in de vorm van een lessenaarsdak, die is bedekt met rode Tuiles du Nord-pannen. In het midden van de voorgevel is een houten erker geplaatst met een plat dak. Daarboven zit, breder dan de erker, een topgevel met een dubbele deur die uitkomt op het dak van de erker. Dit dak heeft een balustrade.
De achtergevel bevat rechts een veranda, die ongeveer de helft van de gevel beslaat. Het lessenaarsdak van de veranda loopt over in het grote schilddak.
In de linker zijgevel vinden we een dubbele deur met grote ruiten en aan de onderkant panelen, die uitkomt op een stenen terras met twee treden naar de tuin. Rechts is in deze gevel een erker geplaatst. Hoog in het spits toelopende schilddak zien we een dakkapel, met een lessenaarsdak en een breed dubbel vierruitsraam
Aan de rechter zijgevel is nog een schuurtje gebouwd dat, hoewel later vernieuwd, in hoofdvorm gelijk is gebleven aan het origineel. 

Oranjelaan 4 (ROUTE 23)

      
   
 

Aan de zuidoostkant van de Oranjelaan ligt deze houten villa, die is gebouwd in de chaletstijl. De term 'chaletstijl' wordt gebruikt voor gebouwen die aan de Zwitserse chaletbouw herinneren, door toepassing van overstekende kappen met veel houtsnijwerk en vaak houten veranda's en vakwerk. Deze stijl werd veel toegepast in de periode 1870-1910, bij villa's en andere gebouwen in een bosrijke omgeving.

De villa die we nu bekijken is gebouwd rond 1900; het is rechthoekig met een kleine uitbouw aan de westzijde en een serre aan de noordzijde. Het huis is opgebouwd uit houten kraaldelen op een gemetselde plint. Houten staanders op de hoeken komen iets uit het gevelvlak naar voren. Het gebouw bestaat uit drie verdiepingen: parterre, kapverdieping en vliering. Het zadeldak is bedekt met grijze en enkele in motief gelegde rode dakpannen. Aan de west- en zuidkant is een topgevel, de steekkap heeft de noklijn evenwijdig aan de weg. Het dak steekt ver over en steunt op gesneden consoles. Op de nok van de steekkap en op de kruising van de kappen staat een schoorsteen met sierrand.

Als we om de villa heen lopen zien we aan de westkant de voorgevel. Op de begane grond bevindt zich een driedelig venster, dat bestaat uit een stolpraam en twee zijramen met bovenlichten waarin glas-in-loodramen zijn geplaatst. Op de gevel onder de ramen is houten vakwerk aangebracht.

De verdiepingsscheiding wordt geaccentueerd door een gesneden kroonlijst op klossen, d.w.z. uit de muur stekende blokjes ter ondersteuning van uitstekende onderdelen van een gebouw.

De rechthoekige serre, die ligt in de hoek tussen de topgevel en het terugliggende geveldeel, heeft openslaande deuren met een houten trapje ervoor. De ramen van de serre hebben een decoratieve roedenverdeling.

Interessant aan de linker zijgevel aan de noordkant is rechts het driedelige venster met zesruitsvensters en glas-in-loodramen in de bovenlichten. Boven het venster rust een kroonlijst op vier consoles.

In de rechter zijgevel is rechts de uitbouw van één bouwlaag onder een lessenaarsdak. Via een houten trapje komt men bij de houten paneeldeur. Links van de uitbouw zit in het gevelvlak een driedelig venster. Boven het venster wordt een kroonlijst gedragen door vier consoles. De topgevel heeft deels geschulpte schoren en een hanenbalk met naaldvormige makelaar, de balk die het dak ondersteunt.

Aan het einde van ons rondje om het huis komen we bij de achtergevel, aan de oostzijde. Hierin bevindt zich, in het midden, de dubbele houten toegangsdeur, met een overdekt houten bordes, bereikbaar via vier houten treden. De paneeldeuren hebben ramen en zijn rijk gedecoreerd met gesneden segmentvormige frontons en kroonlijsten op consoles. Boven het bordes is een zadeldak dat steunt op een gesneden schoorconstructie en twee gesneden pilasters op bakstenen voet waartussen de balustrade is gevat. Boven de deuren zien we een vierruitsvenster met een hoekige bovendorpel. Links en rechts boven de ingang is een stolpvenster met een bovenlicht en op de verdieping is boven de ingang ook een venster. Daarboven is een gedeelte van het overstekende dak uitgevoerd in glas. Deze houten villa in chaletstijl is goed bewaard gebleven. 

      

Parklaan 37  (ROUTE 24)
Villa Vreeburg

Vreeburg is een prachtig voorbeeld van een villa in Jugendstil. De bouwstijl Jugendstil of art nouveau kende haar bloeitijd tussen 1895 en 1910 en ontstond als een reactie op de 19de-eeuwse 'neostijlen'. Karakteristiek voor deze stijl was het tonen van constructieve onderdelen, gecombineerd met decoratieve elementen. Gietijzer, smeedijzer en glas werden veelvuldig gebruikt. Vloeiende lijnen, asymmetrie, grote bogen (bijvoorbeeld in gevels) en de versiering met majolicategels zijn kenmerkende stijlelementen. Veel van deze elementen zien we terug bij deze villa, die is gebouwd omstreeks 1905 naar ontwerp van A. Jacot en W. Oldewelt. In de periode 1972-1995 is de villa verbouwd en uitgebreid. Het huis heeft een prominente plaats op de kruising van de Parklaan en de Meerweg.

Opvallende onderdelen van Vreeburg zijn de loggia aan de oostzijde, de erker aan de noordzijde en de uitbouw aan de westzijde. Aan elke zijde is een risaliet te vinden, een vooruitspringende gevelpartij die over de gehele hoogte doorloopt; aan de oost-, zuid- en westzijde drie bouwlagen hoog, aan de noordzijde twee bouwlagen. Het samengestelde dak is bedekt met rode dakpannen. De dakranden steken ver over en worden ondersteund door schoren die op kleine houten kraagstukken rusten. De gevels zijn gepleisterd en rusten op een bakstenen plint met natuurstenen hoekpunten. De topgevels hebben een houten beschot met decoraties. Door de gevels heen lopen horizontaal drielaags bakstenen banden met verticaal geblokte bakstenen op de hoeken. De bogen die zijn gemetseld in de muren boven ramen en deuren om het erboven liggende metselwerk te dragen (de ontlastingsbogen) zijn van baksteen. De vensterbanken zijn van natuursteen. Bijna alle bovenlichten hebben gele ruiten.

De mooie boogvormige ingang met Jugendstil-elementen bevindt zich in een portiek die bereikbaar is via een trap met twee treden. De vloer van dit portiek bestaat uit blauwe, gele en rode plavuizen. De toogvormige houten deur met glaspaneel heeft zijlichten op een houten borstwering. Boven de ingang is in de gevel een tegeltableau aangebracht met de naam 'Vreeburg' in gele Jugenstil-letters met een rode rand op een groene ondergrond. Aan de linkerkant is de loggia gebouwd, met een serre met houten stijlen en balustrade en plavuizen op de vloer. Op de verdieping zien we in het dak van de loggia nog een klein balkon met openslaande deuren.

De linkerzijgevel (op het zuiden) heeft in het midden een uitspringende topgevel onder een wolfsdak. Op de begane grond is een grote rondboog geplaatst met een venster dat uit een dubbel middenraam met zijramen en bovenlichten bestaat. Op de verdieping is een houten erker met een ver overstekend lessenaarsdak aangebouwd. Op de derde bouwlaag is een stolpvenster te bewonderen met een rond bovenlicht achter een houten opengewerkte balustrade. De zuidwesthoek is afgeschuind.
De rechter zijgevel bevat een vijfhoekige uitbouw onder een vijfzijdig dak met piron.

Aan de achterkant wordt het trappenhuis verlicht door een groot venster dat twee verdiepingen beslaat. Dit venster heeft gekleurde glas-in-loodramen onder de bovenlichten in sierlijk stijl- en regelwerk. De topgevel is afgewerkt met hout. Rechts van de topgevel is een uitbouw met een lessenaarsdak. Geheel rechts staat de schoorsteen, met daartegen een dakkapel.

In het interieur van de villa is de oorspronkelijke houten betimmering nog aanwezig, met onder meer het Jugendstil-venster tussen de hal en de woonkamer en tussen het voorportaal en de hal. De lambrizeringen zijn nog in de oorspronkelijke staat, net als de deuren, deurkozijnen, balkenplafonds, parketvloeren en de trapbalustrade. 

Groot Hertoginnelaan 34a (ROUTE 30)
Meentwyck

Het imposante, vrijstaande landhuis Meentwyck staat op een groot perceel aan de Groot Hertoginnelaan. Van het hek dat ooit om het landgoed stond resten slechts twee bakstenen pilaren met afdekplaten met daarop de tekst: "Meent" (links) en "wyck" (rechts). Deze restanten van het toegangshek staan aan het begin van het pad dat uitkomt bij de voordeur. De sierbestrating rondom het huis bestaat uit rode en gele bakstenen en rode flagstones. Het landhuis wordt omgeven door terrassen en een grote tuin met een formeel karakter.

      
   
 

Meentwyck stamt uit 1912 en is ontworpen door K.P.C. de Bazel in opdracht van H.N. de Fremery. De Bazel had in de jaren 1905-1913 een grote reputatie als bouwmeester van landhuizen en zijn ontwerpen behoren tot de allerbeste in Nederland op dit gebied. De eigenzinnige stijl van De Bazel combineert een aantal elementen. Zijn landhuizen worden wel getypeerd als Hollands 'baksteen-classicisme': een rationele opzet volgens het door De Bazel ontwikkelde proportiesysteem met diagonalen onder een hoek van 45 graden, een vrijwel symmetrisch ingedeeld gebouw in ongepleisterde baksteen, geïnspireerd op sobere 17de-eeuwse en vroeg 18de-eeuwse Hollandse baksteenarchitectuur, gecombineerd met elementen uit uitheemse landelijke bouwkunst, zoals het ver naar beneden doorlopende schilddak. Weer andere elementen zijn ontleend aan de Engelse landhuisbouw, zoals erkers en onderdelen in het interieur, onder meer de centrale hal met de trap. Ook de terrassen en de tuin zijn waarschijnlijk door De Bazel ontworpen (in samenwerking met de tuinarchitect D. Tersteeg). Dit kunnen we afleiden uit het feit dat ze door De Bazel in de totale compositie van het huis werden opgenomen.

Het huis en het landgoed hebben in de loop der jaren een aantal wijzigingen ondergaan, zoals de rieten dakbedekking die in 1953 is vervangen door leipannen, de bijkeuken die aan de noordzijde in 1963 is uitgebreid en de tot garage verbouwde noordelijke aanbouw uit 1985. Tevens is in 1985 de indeling van de villa gewijzigd.

In 1975 is de tuin gehalveerd ten behoeve van de bouw van een medisch centrum op het perceel.

Meentwyck bestaat uit een rechthoekige hoofdgebouw, voorzien van diverse uitbouwen. Het hoofdgebouw wordt gevormd door één bouwlaag met een hoog opgaand schilddak, dat twee verdiepingen bevat. De voorkant aan de oostzijde heeft aan de uiteinden twee naar voren springende gedeelten onder een minder hoog dak dat in het grote dak overgaat. De muren zijn van geel-rode baksteen en ter hoogte van de bovenkant van de vensters loopt een cordonlijst (een uitstekende baksteenlaag).

De voorgevel is symmetrisch ingedeeld, met op de begane grond aan beide kanten een dubbel stolpraam. In de inspringende gevel van de middenpartij vinden we een deur met aan weerszijden smalle vensters. De middenpartij wordt geaccentueerd door een houten, overdekt balkon met een hek en een dakkapel. Het loggiahek wordt ondersteund door twee vierkante kolommen, elk op bakstenen borstweringen. De borstweringen omvatten een houten plank, zodat aan weerszijden van de voordeur een zitje is gecreëerd. Hoog in het grote schilddak zitten twee kleine dakkapellen met halfronde raampjes. De kap wordt bekroond met twee schoorstenen op de hoeken en in het midden een zeskantige punttoren (dakruiter) met lantaarn en een kegeldak voorzien van een vergulde windvaan in de vorm van een driemaster.

Ook de achtergevel is symmetrisch ingedeeld en heeft een middenrisaliet met aan weerszijden een laag klein vierkant raam en een erker met schuifraam en smalle staande ramen. De middenrisaliet heeft een groot kozijn dat uit vier delen bestaat, waarvan de twee middelste fungeren als openslaande deuren. Boven de daklijst van de begane grond zien we ter hoogte van de middenrisaliet een balkon met een houten balustrade.

De linkerzijgevel heeft twee openslaande deuren die uitkomen op de veranda. De veranda is destijds dichtgemaakt en fungeert nu als serre.
De rechterzijgevel ten slotte, heeft een klein raam en een uitbouw van een bijkeuken (later de garage). 

Koedijklaan 2 (ROUTE 31)
Villa 'Aan den Koedijk'

Op veel bouwwerken van rond het begin van de twintigste eeuw is de stijlbenaming 'overgangsarchitectuur' van toepassing. Deze gebouwen vormen wat bouwstijl betreft een overgang van de neo-stijlen en het historisme naar een meer moderne, niet of nog weinig aan historische stijlelementen gebonden architectuur. Over het algemeen is er sprake van het door elkaar gebruiken van elementen uit de neo-renaissance, de chaletstijl en de art nouveau/Jugendstil, naast Berlagiaanse en rationalistische elementen. Een prachtiq voorbeeld van deze overgangsarchitectuur is de villa 'Aan den Koedijk', ontworpen door de architect L.H. Bours en gebouwd in 1908.

De villa heeft ten eerste al een bijzondere ligging, op de kruising van de Koedijklaan met de Willemslaan. Het huis ligt op een groot perceel met mooie, oude bomen. Het toegangshek heeft stenen pilaren met een opvallende natuurstenen bekroning waartussen de twee vleugels van het ijzeren spijlenhek zijn gevat.

Het huis bestaat uit twee delen: een rechthoekig deel van twee verdiepingen onder een dak met afgeschuinde kanten aan de korte zijden (de wolfseinden), een zogenaamd wolfsdak, op de begane grond een kamer en suite, en daaraan vast een iets lager rechthoekig gedeelte dat ook uit twee bouwlagen bestaat, met een afgeknot schilddak.

De daken zijn bedekt met rode dakpannen. De begane grond van de villa is opgetrokken in rode baksteen, de verdiepingen zijn witgepleisterd, met op de hoeken rode baksteen rond een gepleisterde strook, alsof ze rusten op hoekpilasters. Tussen de dakrand en het pleisterwerk is een smalle strook baksteen aangebracht.

Het dak heeft brede dakranden en een geprofileerde gootlijst, ondersteund door zeer rijk gedecoreerde consoles. Tegen de muur tussen de consoles zit een witgeschilderd houten deel met daaronder een smalle strook metselwerk, waardoor de indruk wordt gewekt dat het dak een stukje loskomt van het gebouw en daardoor een massief uiterlijk krijgt.

Vrijwel alle vensters op de begane grond en de verdieping hebben louvreluiken.

In de voorgevel zit een groot rechthoekig venster en op de verdieping een rechthoekig venster met schuifraam. De topgevel kraagt uit, rust op consoles en is bekleed met halfronde pannen van leisteen. In deze gevel bevindt zich een sierlijk omlijst venster dat uit drie ramen bestaat. De piron (een ornament, vaak met een bol erop, ter afsluiting van hoekkepers en nokken) aan de top is nog aanwezig, maar de windvaan is helaas verdwenen.

In het lagere en smallere rechter deel van de villa zit de ingang met gekleurde glas-in-loodramen. Rechts daarvan zijn openslaande deuren die toegang geven tot een terras. Op de stoep voor de ingang en op het terras liggen rode en witte plavuizen. Op de verdieping boven de voordeur is een mooie, in reliëf uitgevoerde gevelsteen zichtbaar met de naam 'Aan den Koedijk' en drie koeien die scharrelen tussen de bomen met op de achtergrond een rijdende kar.

Aan de linker zijgevel is een vijfkantige serre aangebouwd met vensters en openslaande deuren in het midden. Boven de serre bevindt zich een balkon. In het dak is in het midden een dakkapel gebouwd, met daarop de schoorsteen. Aan de rechterkant vinden we een uitbouw onder een doorgetrokken deel van het schilddak. 

Beerensteinerlaan 73 (ROUTE 36)
Pension Beerenstein

In april 1909 verscheen de volgende advertentie in een krant:

Een journalist, die een bezoekje bracht aan het pas geopende pension en sprak met de uitbaatsters, schreef het volgende: "Na het noemen van mijn naam en kwaliteit lieten de dames Jurissen mij binnen in het gezellige kantoortje en vertelden mij één en ander over het door architect Kruisweg ontworpen huis en lieten mij 24 comfortabele kamers zien. Het zondagse diner kostte f 1,75 voor: tomatensoep, ossenhaas, eiersaus, kalfsfricandeau, spinazie en chipolatapudding."

      
   
 

Huize Beerenstein was een populair pension in die beginjaren, met name door de uitstekende keuken. Ook het gebouw zelf, nu een monument, aan de Beerensteinerlaan 73 is het bespreken waard. Het stamt uit 1908,is ontworpen door de architecten Van der Goot en Kruisweg en is een voorbeeld van architectuur in art nouveau-stijl. Van der Goot en Kruisweg tekenden ook voor het ontwerp van de theekoepel, die in 1920 werd aangebouwd. In 1928 werd er een stuk aan de rechterzijgevel aangebouwd, naar ontwerp van H.F. Sijmons. In Beerenstein is in latere periode een bejaardentehuis gevestigd.

Het voormalig pension bestaat uit een rechthoekig middengedeelte en enkele uitbouwen en is opgebouwd uit twee verdiepingen en een kapverdieping. De gevels zijn witgepleisterd op een bakstenen plint met accenten in rode en gele baksteen. De aanbouw aan de rechterzijde is eveneens van rode baksteen, die aan de noordwest- en westzijde zijn wit geschilderd. Opvallende details zijn de houten kozijnen, deuren en ramen. Het zadeldak, de steekkappen en het dak van de theekoepel zijn bedekt met rode Tuiles du Nord dakpannen.

De voorgevel bestaat uit drie topgevels onder zadeldaken. De linker en de rechter topgevel zijn identiek uitgevoerd met op de begane grond een kozijn met openslaande deuren met bovenlicht die worden geflankeerd door zijvensters met bovenlicht. Op de verdieping geven openslaande deuren toegang tot een balkon op consoles en schragen, omgeven door een houten balustrade. Op het dak zijn twee dakkapellen geplaatst.

De aanbouw uit 1928 heeft op de verdieping een balkon met een gemetselde balustrade.

Als we naar de theekoepel kijken vallen vooral de achthoekige elementen op: de achthoekige houten conversatietheekoepel op bakstenen plint onder een achtkantig overstekend dak, rustend op gesneden schoren (steunbalken), heeft een achthoekige lantaarn onder een achtkantig zinken dak. De lantaarn heeft acht vensters.

De vensters en deurkozijnen van de koepel hebben bovenlichten met gekleurde glas-in-loodramen. En in het plafond onder de lantaarn is ook een gekleurd glas-in-loodraam zichtbaar. Het achthoekig terras van de koepel is bedekt met zwarte en gele plavuizen.

Door goed bewaard gebleven voorbeelden van pensions als Beerenstein kunnen wij ons ook in deze tijd nog een beeld vormen van de manier waarop velen, met name Amsterdammers, in de eerste helft van de 20ste eeuw vertier en ontspanning zochten in Bussum. 

Gooilandseweg 1 (ROUTE 38)
Catalpa

Uitkijkend over de 'Kom van Biegel', vanaf een heuvel op een driehoekig terrein, omgeven door de Gooilandseweg, de Nieuwe 's-Gravelandseweg en de Parklaan, staat villa Catalpa. Deze villa, naar een ontwerp van K. van den Berg, stamt uit 1930 en is gebouwd in de stijl van het zakelijk-expressionisme. De invloed van de architectuur van Dudok is duidelijk zichtbaar in het ontwerp, o.a in de ten opzichte van elkaar verspringende bouwvolumes, de rondingen, de lintvensters en de balans in de horizontale en verticale elementen van de gevels. Van den Berg heeft ook korte tijd gewerkt bij het architectenbureau van Dudok.

Het huis heeft een moderne uitstraling door de gebruikte materialen als stalen profielen voor de ramen en gewapend beton voor de raam- en deurlateien. Het rieten dak is het enige element dat de villa een landelijk karakter verleent. Het steekt ver uit en is aan de onderkant betimmerd met hout. Het rechthoekige gebouw van gele baksteen op een donkerrode gemetselde plint, bestaat hoofdzakelijk uit twee bouwlagen met op de horizontale delen rieten schilddaken met nokvorsten (speciale dakpannen op de bovenste rand van het dak) en op het verticale deel een plat dak.

De ingang aan de noordkant is bereikbaar via drie gemetselde traptreden. Rechts van de deur is een lamp geplaatst die ontworpen is door de architect. Een stuk naar links, in het oostelijke deel, is nog een deur, waarvoor men ook eerst drie treden moet beklimmen. Daartussen zijn vijf gekoppelde dubbelvensters zichtbaar. Het westelijke gedeelte bevat op de begane grond een venster met groene en gele glas-in-loodramen. Op de hogere verdieping zijn vijf vierkante vensters geplaatst. Aan de rechterkant bevindt zich een hoge, gemetselde schoorsteen. De linker zijgevel is iets doorgetrokken naar de noordzijde en omvat links twee bouwlagen en rechts een bouwlaag. Op de tweede bouwlaag bevindt zich onder andere een breed raam met decoratieve, geometrische glas-in-lood indeling.

Aan de rechter zijgevel is een bloembak geplaatst voor de uitgemetselde steunberen die de luifel dragen waaronder een groot venster prijkt. Op de verdieping ligt voor een terugliggende gevel een ommuurd terras. In de achtergevel aan de zuidkant vinden we links van het torenachtige gedeelte, een deur, met nog een lamp naar ontwerp van de architect. Daarnaast is een groot, breed venster met twee smalle zijlichten. De linkerzijde van de gevel wordt gedomineerd door een reeks vensters onder een luifel. Op de hogere verdieping vinden we ook een reeks vensters, vijftien in totaal, onder de dakrand. Een trap met een bordes loopt van het terras naar het lagere terrein. De zuidgevel heeft nog een halfronde (garage)deur op kelderniveau.

We hebben nu een wandeling gemaakt rondom villa Catalpa, een voorbeeld van een villa in zakelijk-expressionistische bouwstijl uit de eerste helft van de 20ste eeuw. Voor Bussum is de villa ook stedenbouwkundig interessant door de vrijstaande situering op een heuvel. 

Nieuwe Hilversumseweg 12 (ROUTE 42)
Sarah's cottage

Sarah's cottage is een grote villa, gebouwd in 1903 en ontworpen door de architecten Van der Goot en Kruisweg. Het huis doet denken aan de Engelse landhuizen van die tijd en een dergelijke villa met Engelse invloeden (let op het houten vakwerk in de topgevels, de vensters met de kleine roedenverdeling en de erker) is vrij zeldzaam voor deze regio. Een andere bijzonderheid is dat de villa in opdracht van de kunstschilder Bernard de Hoog werd gebouwd en dat het atelier, zij het in gewijzigde vorm, nog aanwezig is. Deze villa met atelier laat ons zien hoe men aan het eind van de 19de eeuw kon wonen in het Gooi, waar vanaf die tijd veel kunstenaars en welgestelden zich vestigden en zo bijdroegen aan de ontwikkeling van de landhuisbouw.

Het valt op dat de voorkant van de villa nu erg dicht op de Nieuwe Hilversumseweg ligt. De oorzaak daarvan is de verbreding van deze weg in de jaren '60, waardoor een groot deel van de voortuin verloren is gegaan.

Bernard de Hoog gaf het huis de naam van zijn vrouw: Sarah. Inmiddels is deze naam al diverse malen veranderd. De voorgevel ligt aan de noordzijde. Rechts van de voordeur werd een atelier met een groot raam gebouwd, zodat de schilder optimaal gebruik kon maken van het noorderlicht. Rechts van het atelier werd een zogenaamd 'boerenkamertje' aangebouwd. Dit was een vertrek waarin huiselijke plattelandstafereeltjes werden geënsceneerd en geschilderd. Het kamertje kreeg daartoe een sfeerbepalend balkenplafond, een ladder naar de zolder, een stookplaats en kleine vensters waarvan geen raam hetzelfde is. In 1924 is het boerenkamertje door een nieuwe eigenaar verbouwd tot kantoor, maar de ramen, de stookplaats en het balkenplafond zijn bewaard gebleven. Tegenwoordig heeft het de functie van eetkamer.

Het atelier is ook verbouwd. Het is in twee kamers opgedeelde en het grote raam werd vervangen door een kleiner raam. In de achtertuin staat een zeskantig tuinhuisje uit 1925, met twee ramen, een dubbele deur en een rieten dak.

In de achtergevel zit een T-vormig venster met glas-in-loodramen, waarin nog het familiewapen van de familie De Hoog is afgebeeld. 

Beerensteinerlaan 2c, 4-6 (ROUTE 44)
Daglonerswoningen

   
      
   
 

Dagloners waren losse krachten die per dag werkten en betaald kregen. 's Zomers was er meestal voldoende werk te vinden bij boeren, maar in minder goede tijden moesten de dagloners maar zien hoe aan geld te komen. Deze wisselende inkomsten en de vaak grote gezinnen die men moest onderhouden zorgden voor veel armoede onder de dagloners. Voor huisvesting waren zij afhankelijk van de gemeente, de kerk of van liefdadigheid. In Bussum werden die drie vertegenwoordigd door het Armenbestuur, de Sint Vitusparochie en de sociaal actieve koopvaardijkapitein S.H. Veer. Deze laatste liet na zijn dood zijn huishoudster enkele goederen, vijfhonderd gulden en een stuk land na. Dit is het stuk grond waarop de daglonerswoningen staan.

De drie huisjes met hun rode bakstenen gevels stammen uit de tweede helft van de 19de eeuw. Eén ervan is vrijstaand, de andere twee zijn ruggelings onder één kap gebouwd. De huisjes zijn van architectuurhistorische waarde vanwege de eenvoudige, maar mooie hoofdvorm, de detaillering en het materiaalgebruik. Bovendien laten de woningen zien hoe de dagloners in de 19de eeuw waren gehuisvest, en dragen deze zeldzaam geworden woningen bij aan een duidelijker beeld van het wonen en werken van de minder bedeelden in die tijd in Noord-Holland.

Het vrijstaande huisje, nr. 2c, heeft grijze dakpannen en op de nok van het dak staat vrijwel in het midden de schoorsteen. Vroeger waren de twee topgevels identiek maar nu is in de achtergevel de voordeur geplaatst die ooit in de rechter zijgevel zat. Deze toegangsdeur heeft een houten voorbouw. De voorgevel heeft een zesruits schuifraam met aan weerszijden luiken met een zandlopermotief. Het zolderschuifraam heeft vier ruiten. Op de voorrand van het dak is een rijk geprofileerde windveer bevestigd. De linker gevel heeft geen vensters en in de rechter gevel zit alleen een klein wc-raampje. Wel is hier nog goed zichtbaar waar ooit de voordeur heeft gezeten.

De andere twee woningen die rug aan rug liggen, zijn bijna identiek aan nr 2c, al zijn in de loop der tijd enkele wijzigingen aangebracht. Ze staan iets dichter op de weg dan 2c. Ook hier hebben de topgevels de rijk geprofileerde windveren. De zijgevels hadden oorspronkelijk geen ramen, alleen een deur. Om te zorgen dat de bewoners meer daglicht in de achterkamer zouden krijgen is er een schuifraam geplaatst in de zijgevel, met aan beide zijden luiken met een zandlopermotief. De voordeuren zijn vlak naast deze ramen te vinden en hebben een bovenlicht. Het rechter dakvlak heeft bij beide woningen een gietijzeren daklicht. Nr 6 heeft later een dakkapel gekregen en een keukenuitbouw. 

Lindenlaan 16 (ROUTE 46)
Villa Lindenrode

Tussen de Lindelaan en de spoorlijn vinden we villa Lindenrode. Het vrijstaande huis, dat op een groot perceel is gebouwd, staat met de voorzijde op enige afstand van de straat en met de achterzijde dicht op het spoor. Om de tuin aan de straatkant is een heg geplaatst, de rest van het huis wordt begrensd door een stenen muur. In de tuin staan mooie, oude bomen.

Aangenomen wordt dat lindenrode is ontworpen door de architect C.J. Kruisweg en gebouwd in 1906. Bijzonder aan deze villa zijn de Engelse invloeden in de bouwstijl, zoals de opvallende schoorstenen, de grote roedenramen die iets uit de gevel steken (bay-windows) en het vakwerk.

De villa bestaat uit twee bouwlagen van lichtrode baksteen, met een hoog schilddak dat is bedekt met rode dakpannen. De gevels eindigen in een uitstekende kroonlijst, met daarin een zinken goot, gedragen door consoles die aan de voet uitkomen op een gemetselde band. Tussen de consoles is siermetselwerk te zien. Bijna alle bovenlichten hebben gekleurde glas-in-loodramen. De ingang heeft de vorm van een uitbouw met een plat dak en een houten balustrade. Boven de voordeur hangt een luifel die wordt ondersteund door twee rijk geprofileerde consoles en gedecoreerde smeedijzeren stangen. Op de verdieping boven de ingang staat in sierlijke letters 'Lindenrode' geschreven. Rechts van de ingang zit een smal venster met een zware houten latei en in het kozijn een dubbele deur met bovenlichten en luiken die even hoog zijn als de deuren. Voor deze dubbele deur ligt een laag, ommuurd terras. In de rechterhoek van de gevel is onder 45º een klein raampje ingebouwd. Links in de gevel zien we nog een breed, rechthoekig venster met in het midden twee deuren met luiken.

Op de verdieping is een rechthoekig venster geplaatst voorzien van een dubbele deur met louvreluiken en rechts hiervan een bay-window, vlak onder de kroonlijst, met erboven een flauw hellend spitsdak.

De achtergevel heeft een weinig geordende vensterindeling. Links op de begane grond is een rechthoekige stenen uitbouw te zien die iets meer dan eenderde van de gevel beslaat. Boven de uitbouw is een plat dak met een houten balustrade. Helemaal rechts is een aanbouw voor de keuken.

De rechter zijgevel heeft in het midden een schoorsteen die naar boven smaller wordt. De schoorsteen steekt door de dakkapel.

In 1963 werd tegen de blinde zijgevel een garage gebouwd. Het dak bevat in het midden een dakkapel.

Een bijzonder onderdeel van deze villa is de 'centrale verwarmingskelder' die in 1929 achter het huis werd gebouwd. Dit ketelhuis bestaat uit twee kleine bouwwerkjes, één voorzien van een zadeldak en het andere van een plat dak en een schoorsteenpijp. Het is nog steeds in gebruik, maar er wordt tegenwoordig gestookt op olie in plaats van kolen. 

15 Lindelaan 11 (ROUTE 48)

      
   
 

Het pand aan de Lindelaan is in de eerste plaats een goed voorbeeld van een groot blokvormig herenhuis uit het eind van de 19de eeuw, gebouwd in neo-classicistische stijl. Het neo-classicisme in de bouwkunst is een architectuurstroming uit het einde van de 18de eeuw en de eerste helft van de 19de eeuw, waarin men met hernieuwde interesse de kunst van de klassieke oudheid beschouwt; deze belangstelling was het gevolg van belangrijke archeologische opgravingen en studies in die periode. Kenmerkend voor het neo-classicisme in de architectuur zijn de symmetrisch ingedeelde, vaak witgepleisterde gevels en de toepassing van elementen als frontons, kroonlijsten, zuilen en pilasters. Deze kenmerken zien we bij dit pand terug.

Daarnaast is het huis van belang vanwege de zeldzaamheid in deze regio van dergelijk type herenhuis, zeker van deze kwaliteit, en met bijbehorend koetshuis. Het bestaat uit twee bouwlagen onder een afgeknot schilddak, dat is bedekt met grijze kruispannen. Het gebouw heeft een smalle voor- en achtergevel ten opzichte van brede zijgevels. Alle gevels zijn witgepleisterd en hebben horizontale schijnvoegen, afwisselend smal en breed. De gevels hebben een basement, daarboven een cordonlijst, tussen de begane grond en de verdieping twee cordonlijsten, en ze worden afgesloten door een kroonlijst, een fries en een gedrukte architraaf. Het huis is verticaal verdeeld door middel van pilasters. De voorgevel aan de oostzijde is symmetrisch en bestaat uit drie delen (traveeën). In de middelste, iets smallere travee zit de ingang. Boven de ingang zien we een balkonnetje. De ingang is overdekt en doet denken aan een 'porte-cochere', in vroegere tijden was dit een doorgang voor koetsen, die later is dichtgemaakt met rijk geprofileerde houten puien en gekleurde glas-in-loodramen. De balustrade van het balkon boven de ingang heeft een mooi gedecoreerd ijzeren hek.

De achtergevel is wat soberder uitgevoerd dan de andere gevels en ook opgebouwd uit drie traveeën, met tegen de middentravee op de begane grond vroeger een serre, die in 1974 plaats heeft moeten maken voor een moderne aanbouw, die asymmetrisch als een grijze doos tegen de gevel is geplaatst. Op de eerste verdieping zien we een dubbele deur naar het platte dak van de nieuwe aanbouw.

De rechter zijgevel heeft op de begane grond in het midden een erker. In het dak zit een dakkapel.

De linker zijgevel is grotendeels gelijk aan de rechter, alleen heeft deze gevel andere vensters en zit er geen erker in.

Het koetshuis is in de loop der tijd een aantal malen verbouwd. De laatste keer is het deels gesloopt, omdat het kavel verkleind werd, en bleef nog maar een schamel restant over van het oorspronkelijke gebouw. Het koetshuis bestaat uit twee bouwlagen.

Parallel aan de linker zijgevel van het hoofdgebouw staan twee identieke, kleine gebouwtjes, verbonden door een muur.

Het herenhuis heeft gepleisterde muren, pilasters en horizontale lijsten. Het hoofdgestel en de kozijnen zijn wit. De plint, de balustraden met het ijzeren sierhekwerk, de ramen en de deuren (ook de puien van de ingang) zijn lichtbruin. Dit is niet de originele kleur, want die was waarschijnlijk groen.