Het ontstaan van Bussum
Open Menu

Het ontstaan van Bussum (5)

De periode van 1813 tot 1873

 

Burgemeesters 

Carel Besançon

Carel Besançon trad al in 1813 tijdens het beleg van Naarden als burgemeester van Bussum op. Namens het dorp voerde hij onderhandelingen en schreef brieven. Hij had zich kort voor het beleg op 33-jarige leeftijd als koopman vanuit Amsterdam in Bussum gevestigd en voelde zich uit hoofde van zijn beroep de meest ontwikkelde van het hele dorp, met uitzondering van de pastoor. Waar hij in handelde is niet bekend. Omdat hij na de plundering van Bussum door de Fransen op 30 november 1813 opgeeft dat zij bij hem 100 liter jenever en 10 pond tabak hebben gestolen, zou dat wel eens een deel van zijn handel geweest kunnen zijn. Zijn streven was er van het begin af op gericht om na het bereiken van de Bussumse zelfstandigheid officieel tot burgemeester te worden benoemd.
In dit kader stuurde hij in december 1814 een brief naar Den Haag, waarin hij beschrijft hoe hij op 3 december 1813, gesteund door 4 Kozakken, “ met voorbeeldlooze moed 250 Fransen heeft teruggeslagen en daarbij 5 gevangenen gemaakt te hebben”, waardoor “het nog heden bestaan van Bussum eeniglijk aan hem te danken is”. Het is een onwaarschijnlijk verhaal, dat nog vreemder wordt als uit de vele dagverslagen van het beleg blijkt dat er op die dag en ook kort er voor en er na niets van betekenis is voorgevallen. Hoewel het verslag mede door vier van zijn mede-bestuurders was ondertekend, kan het niet anders dan als een verzinsel betiteld worden. Op de heren in Den Haag heeft het dan ook geen indruk gemaakt.

Op 12 mei 1814, na de bevrijding van Naarden, kon Besançon geen burgemeester blijven. Daar men verwachtte dat de zelfstandigheid weldra een feit zou zijn, mocht hij wel ad-interim aanblijven. Uit die periode dateert een brief naar Den Haag, waarin hij opgeeft dat het dorp 500 inwoners en 60 boerderijen telde. Ook dat was bezijden de waarheid. Met 400 inwoners en 20 boerderijen had men het echt wel gehad.
Het Koninklijk Besluit dat Bussum per 1 mei 1817 een zelfstandige gemeente werd, bereikte Besançon in januari. Een dorp kreeg geen burgemeester, maar aan het hoofd kwam een schout te staan, waarvoor in Bussum de Naardense gemeentesecretaris Jacobus Johannes Thierens werd benoemd. Thierens was een neef van de zittende burgemeester van Naarden en beschikte ongetwijfeld over meer bestuurlijke ervaring dan de koopman Besançon, die hierover nogal teleurgesteld was.
Toen Thierens in 1820 zijn ontslag kreeg hoopte Besançon wederom dat hij nu het felbegeerde ambt zou krijgen. Tot zijn grote teleurstelling werd hij weer gepasseerd, ten gunste van Hendrik Banis. Gedesillusioneerd verkocht hij op 17 december 1821 zijn woonhuis op de hoek van de Brinklaan en de Havenstraat, tegenover de Veldweg, aan Gerrit Vogelpoot en verhuisde begin mei 1822 naar Muiden. Hoewel verhuisd, bleef hij nog tot juli 1823 als gemeentesecretaris in functie.

 

Jacobus Johannes Thierens

Officieel is J.J. Thierens de eerste persoon die, zij het als schout, de hoogste leiding over de gemeente heeft uitgeoefend. Hij stamde uit een oud Naardens regentengeslacht, was daar behalve notaris ook gemeentesecretaris en woonde in de stad. Na zijn benoeming in Bussum, waarbij hij tevens de functie van ontvanger der belastingen op zich nam, bleef hij in Naarden wonen en kwam zelden in het dorp kijken. Alleen voor raadsvergaderingen was hij bereid om de wandeling te ondernemen. Daar kwam verandering in toen hij in de maanden februari tot en met augustus 1820 in totaal negen keer niet bij raadsvergaderingen kwam opdagen. Stukken die door hem dienden te worden getekend bleven onbehandeld. Een en ander gaf de raad aanleiding een brief naar Gedeputeerde Staten te sturen waarin geklaagd werd over het wat zij noemden ‘wangedrag’van de schout. Zij stelden, dat Thierens behalve schout in Bussum tevens gemeentesecretaris in Naarden en uit dien hoofde ook secretaris was van het College van Stad en Dorpen van Gooyland, waarbij eerstgenoemde voor hem het minst profeitelijk was en daarom verwaarloosd werd. Het resultaat van deze aktie was dat de schout op 4 november 1820 bij Koninklijk Besluit zijn ontslag kreeg.

Door het disfunctioneren van Thierens was er een achterstand ontstaan in de afhandeling van een aantal zaken zoals de financiële verantwoording over 1820. Ondanks beloften van beterschap was de schout later in dat jaar nog enige malen niet bij raadsvergaderingen aanwezig. Na zijn vertrek bleken er brieven en andere documenten die hij had behandeld in het archief te ontbreken. Er ging een dringende brief naar Thierens om alle op Bussum betrekking hebbende stukken toe te zenden. Uit de raadsverslagen blijkt niet of hij aan dat verzoek gehoor heeft gegeven. Waarschijnlijk niet, want in 1966 dook bij een antiquair in Amsterdam een map met briefkopieën en andere raadsstukken van Bussum op uit de periode 1817 tot 1821, die hier in het archief ontbraken.

 

Hendrik Banis

Op 29 januari 1821 werd tot nieuwe schout van Bussum benoemd de in het dorp woonachtige Hendrik Banis. Deze was in Laren geboren in 1773 en bijna 48 jaar toen hij werd benoemd. Hij dreef een winkel in “kruideniers- en vette waren en enige boeren- en vrouwegoederen”. Van hem is het verhaal bekend, dat toen de Fransen op 30 november 1813 Bussum plunderden, zij hierbij de pastoor zelfs van zijn kousen beroofden. Pastoor Wilkamp ging hierop naar de winkel van Banis om nieuwe te kopen. Maar ook daar waren de soldaten al geweest en hadden alles geroofd. In een spontaan gebaar trok Banis toen zijn eigen kousen uit en gaf die aan de pastoor. Terwijl hij hiermee bezig was, kwam de vrouw van Jan Steur bij hem om f. 200,- te lenen, waarvoor zij de levering van haar koeien dacht te kunnen afkopen. Een paar soldaten die nog in de winkel waren trokken haar opeens het gouden oorijzer van het hoofd. Banis protesteerde hier tegen, maar moest wegvluchten om niet aan de bajonet geregen te worden.

Na de bevrijding van Naarden werd Banis in het Provisionele Bestuur dat de dorpszaken in Bussum behandelde gekozen. Daar deed hij wat bestuurlijke ervaring op. Hiermee gewapend ging hij met veel inzet en vertrouwend op zijn gezonde boerenverstand aan het werk. Hierbij genoot hij de achting en good-will van de dorpelingen. Veel steun had hij van gemeentesecretaris Cornelis Hendrik Wachtels, die als beurtschipper in 1811 in Bussum was komen wonen en vanaf 1823 zijn rechterhand zou zijn. Banis was burgemeester tot 1850, toen hij op 76 jarige leeftijd aftrad. Gemeentesecretaris Wachtels legde zijn functie vier jaar daarna neer, na 32 dienstjaren.
In augustus 1825 bereikte Banis het bericht dat door de invoering van het nieuwe ‘Reglement op het Bestuur ten Platten Lande’ hij niet langer schout, maar voortaan burgemeester was.

In de tijd van Banis moest er nog van alles georganiseerd worden. We moeten hierbij denken aan zaken als de postbezorging en de nachtwacht als aanvulling op de taken van de politie. Verder de gezondheidszorg en de bijeenkomsten van de gemeenteraad in een rechthuis.
Met name de gezondheidszorg was een in de jaren rond 1830 van belang. De bevolking verarmde en verzwakte door slechte oogsten en bedorven hooi, waarmee veel sterfte onder het vee optrad. In 1832 brak een cholera-epidemie uit, die ook wel 'Aziatische braakloop' werd genoemd. Van de kant van de Provincie werd er wel een keurig overzicht van maatregelen verstrekt, compleet met een Lijst van Genees- en Voorbehoedmiddelen. Aangezien echter aan de belangrijke voorwaarde, dat er dagelijks een dokter beschikbaar behoorde te zijn evenals een apotheker, niet kon worden voldaan en de latijnse benamingen van de medicijnen daardoor onbegrijpelijk waren, stond men hier tamelijk machteloos. Gelukkig ging de epidemie, mede door de inspanningen van het gemeentebestuur, aan ons dorp voorbij. Zoals ook in andere plaatsen het geval was, waren door de zware jaren, er nog meer armen bij gekomen, die ten laste van de gemeente kwamen.

             
Afb. 22: De eerste steen van de korenmolen “De Eendragt”.
Deze stond aan de Brinklaan op de hoek met de Nieuwe Englaan.
 
De Eendragt gezien vanaf de achterkant,
met links de woning van de molenaar.
 

Dit gaf weer nieuwe zorgen, maar Banis toonde zich een verstandig en doortastend man, die zelfs bereid was voor een kleiner tractement - van f. 150.- naar f. 100.- zijn werk te doen. Daarnaast had hij natuurlijk ook nog wel inkomsten uit zijn winkel.

Na de moeilijke jaren braken gelukkig wat gunstiger tijden aan. Er kwamen wat bedrijfjes van de grond. Zo legde burgemeester Banis zelf in 1839 de eerste steen voor een korenmolen aan de Brinklaan, op de hoek met de Nieuwe Englaan.

Echter, in 1845 sloeg het noodlot weer toe. Er brak een aardappelziekte uit waardoor drie-kwart van de oogst verloren ging. Ook de boekweit, haver en bonen deden het slecht. De jaren daarna waren de oogsten niet veel beter, zodat de burgemeester in het jaarverslag over 1847 de opmerking zette: ’de arbeidende klasse lijdt veel door gebrek aan werk, zoodat eene ondersteuning van Gouvernementswege, of van de zijde der Provincie,hoog noodig zoude zijn’. Het aantal van de door de gemeente ondersteunde bedeelden steeg in die jaren van 50 naar 80 huishoudens. De bedeling kwam in die tijd op maximaal 50 cent per dag per gezin.

Bijna 30 jaar stond Banis aan het hoofd van de gemeente en zag het inwonertal toenemen van 500 naar 900 zielen. Op 2 januari 1850 legde hij tenslotte, bijna 77 jaar oud, zijn ambt nee, om van een welverdiende rust te gaan genieten.

 

     
 
Afb. 24: Antonie Lodewijk de Roeper,
burgemeester in Bussum van 22 januari
1850 tot 31 oktober 1851.

Antonie Lodewijk de Roeper

Nog dezelfde maand werd er een opvolger benoemd. De dertigjarige kandidaat-notaris uit Naarden Antonie Lodewijk de Roeper werd de nieuwe burgemeester. Net als de schout Thierens stamde hij uit een Naardense regentenfamilie waar zijn vader notaris was en gemeentesecretaris.

Er waren meer paralellen. Burgemeester De Roeper bleef ook in Naarden wonen met de belofte tweemaal per week in Bussum te verschijnen. Hij beschouwde zijn burgemeesterschap als een opstapje naar iets beters. Hij was nog geen twee jaar hier toen in Naarden de post van gemeentesecretaris voor hem beschikbaar kwam en hij zijn ontslag indiende.

 

Dirk Jacob Vogelpoot

Na de Roeper benoemde de koning weer een Bussumse ‘koopman’ tot burgemeester. Dat was met Banis destijds goed uitgepakt. De benoeming ging naar Dirk Jacob Vogelpoot, zoon van de medeoprichter van de scheepsbeschuitfabriek aan de Havenstraat. Dirk was zijn vader als fabrikant opgevolgd na diens overlijden in 1835 en was raadslid sedert 1843. Als zakenman deed hij het echter beduidend minder goed dan zijn vader. In 1854 was hij gedwongen zijn aandeel in de fabriek verkopen. Binnen het gemeentebestuur werd hem verweten dat hij gemeentebelangen niet gescheiden hield van (zijn) zakelijke belangen.

Als belangrijkste wapenfeit uit zijn ambtsperiode kan vermeld worden, dat door zijn toedoen de ontsluiting van Bussum een stapje verder kwam door de aanleg van de Franse Kampweg vanaf ‘s Graveland en verder over de hei naar de Amersfoortse Straatweg. Het gedeelte over de hei raakte buiten gebruik door de aanleg van de spoorlijn en de zandafgraving daar omheen. Als het aan Hilversum ligt wordt die weg nu weer opnieuw aangelegd.

Na een kleine tien jaar trad hij in november 1861 af. Het afscheid werd met name door de Raad niet betreurd. Zijn laatste jaren woonde hij verarmd en vereenzaamd op een huurkamer in het huis van veldwachter Smeink.

 

Dirk van Zeventer

Tot vierde burgemeester van Bussum werd in februari 1862 benoemd de vreemdeling Dirk Van Zeventer. Al vóór hij hier goede en wel gewend was diende hij in oktober van hetzelfde jaar zijn ontslag in en vertrok.

 

Reinse Keijzer

Burgemeester Reinse Keijzer, die op 27 november 1862 aantrad was een eigenzinnig man. Als voormalig Assistent-Resident in Nederlands-Indië waande hij zich alleenheerser over de gemeente. Binnen de kortste keren lag hij met de Raad overhoop. Al tijdens de eerste raadszitting wilde hij de heren verbieden hun lange Goudse pijpen te roken, waaraan geen der raadsleden zich wenste te storen. Vervolgens richtte hij zijn pijlen op de Gemeentesecretaris Gerrit Banis, zoon van de oud-burgemeester, en op veldwachter Smeink, die hij beiden beschuldigde van gebrek aan activiteit. Toen de burgemeester hierover bij de Commissaris van de Koning ging klagen merkte deze op dat zelfs een dagloner nog veel méér verdiende dan de f. 150,- / jaar van de veldwachter.

Binnen drie maanden na zijn komst brak er een nieuwe rel uit in de Raad. De burgemeester belegde zonder overleg een raadsvergadering in de ochtenduren in tegenstelling tot de gebruikelijke vergaderingen in de middag. Op het geplande tijdstip was alleen de gemeentesecretaris aanwezig. Dit herhaalde zich nog een paar keer, eer het hem lukte de Raad weer bijeen te krijgen. Diep verontwaardigd hield hij de heren voor dat ‘dusdanige handelen beschouwd moest worden als verbreken van de eed’. Die vergadering werd er verder niets afgehandeld, want men verklaarde te sterk onder de indruk te zijn van de tegen hen ingebrachte beschuldiging. Opnieuw had Reinse Keijzer bakzeil gehaald. In het dorp werd gegniffeld en de bijnaam “Keesje-Koud-eten” was geboren.

De gespannen verhoudingen tussen de Raad en de burgemeester bleef het soepel functioneren van het gemeentebestuur jarenlang nadelig beinvloeden. Keijzer won in de kwestie of er al dan niet een eigen geneesheer moest komen, maar de raad hield tegen dat er dorpsverlichting kwam en ook een reglement op het brandwezen werd weggestemd. Ook verzette men zich tegen en voorstel om het tractement van burgemeester en gemeentesecretaris te verhogen. Ze konden dit echter niet tegenhouden.

Op zeker moment besloot de Raad om sleutels te laten maken van het “gemeentehuis” en de kast waarin de stukken werden opgeborgen, zodat de wethouders daar toegang hadden. Reinse Keijzer was het daar niet mee eens. De ruzie liep zo hoog op dat minister Thorbecke moest ingrijpen. De burgemeester kreeg te horen dat hij met de nodige tact diende op te treden, Te meer daar de Gemeentewet voorschrijft dat de burgemeester tesamen met de wethouders toezicht moeten houden op het archief van de gemeente. Na zes jaar van ruzieën werd hij tenslotte vervangen in november 1868.

 

      
 
Afb. 25: George Wilhelm Conrad
Westenberg, burgemeester in Bussum
van 12 november 1868 tot 9 mei 1877.

George Wilhelm Conrad Westenberg

Als hoogste bestuurder werd Bussum aangesteld de oud-scheepsofficier George Wilhelm Conrad Westenberg. Na zijn zeemansbestaan was hij boomkweker geworden. Onder het bewind van deze Burgemeester, die goed met de gemeenteraad wist om te gaan, zou Bussum verder ontsloten worden door de aanleg van de spoorlijn. Helaas miste hij de vooruitziende blik om te onderkennen wat dit voor het dorp kon gaan betekenen. Op de initiatieven van de nieuwkomers werd terughoudend gereageerd, in veel gevallen met het argument dat als ze wat wilden zij dat zelf maar moesten betalen. Dat vooruitgang met kosten gepaard gaat daar wilde het gemeentebestuur jarenlang niet aan. Pas toen bleek dat de gemeentekas baat had bij de nieuwe inwoners werd men wat toeschietelijker.

Aan het vertrek van Westenberg in 1877 ging een ruzie met de gemeentesecretaris vooraf. Laatstgenoemde was per week drie dagen op het Raadhuis aanwezig van 10 tot 12 uur, dus 6 uur / week. De Raad vond dat voldoende, de burgemeester wenste dat de secretaris er elke dag zou zijn, aangezien zes uur per week in en ‘sterk vooruitgaande gemeente als Bussum niet genoeg is’. Beiden hielden voet bij stuk en dienden uiteindelijk hun ontslag in. Hierop diende alle raadsleden een verzoek in om de gemeentesecretaris tot burgemeester te benoemen. Daar ging de Commissaris van de Koning niet mee akkoord en werd de burgemeester van Huizen tot eerste burger in Bussum benoemd. Ook de gemeentesecretaris keerde niet terug.

 

Openbare gebouwen

 

      
Afb. 26: De St. Vituskapel, met er vóór de Ned. Hervormde kerk
uit 1830, van voren gezien vanuit de Kerkstraat. De boerderij aan de
linkerkant stond aan de Kapelstraat op de hoek met de Schoolstraat.
 

St. Vituskapel

Aan de kruising van de Kerkstraat met de Kapelstraat stond de oude St. Vituskapel al meer dan een eeuw buiten gebruik. Iedere dag luidde de schoolmeester trouw de papklok, om de boeren op het land er aan te herinneren dat het etenstijd was.

Inmiddels waren er wat meer gereformeerden in het dorp komen wonen. Koning Willem I gelastte in 1827 dat ook in Bussum een gereformeerde kerk moest komen. Daarvoor leek de leegstaande kapel de meest geschikte oplossing. Dat gebouw was eigendom van de gemeente en binnen de Raad die uitsluitend uit katholieken bestond, voelde men daar niet voor. Na het nodige vergaderen werd een oplossing gevonden. Tegen de voorkant van de kapel mocht een kerkje gebouwd worden en de predikant zou dan de helft van de kapel als woning gaan gebruiken. Voorwaarde was wel, dat de schoolmeester de klok en het uurwerk zou blijven bedienen ‘soo als zulks sints onheugelijke tijden is geweest’.

De Blaricumse timmerman Huysman werd de bouwheer van het kerkje. Hij rekende f. 4000,- voor het gebouw, dat in 1830 in gebruik kon worden genomen. Voor f. 300,- meer zette hij er ook nog een torentje op, dat echter wegens bouwvalligheid in 1852 weer moest worden afgebroken.

     
 
Afb. 27: Plattegrond van Bussum in 1832. Hierop zijn de in dit artikel genoemde
gebouwen aangegeven, zoals de herberg “de Zwaan” in gebruik als Rechthuis,
de St. Vituskapel. het schoolhuis uit 1827 achter de woning van meester Hoogen,
de R.K. schuurkerk en de scheepsbeschuitfabriek van Boesyaar en Vogelpoot.

 

School

In de vorige aflevering is beschreven dat de schoolmeester Pieter Ledder, die aan het begin van de 19e eeuw de kinderen les gaf, in 1813 is overleden. De jaren er voor heeft hij echter al geen les meer gegeven. Hij was naast secretaris van het op zelfstandigheid aansturende waarnemend gemeentebestuur van Bussum, ook nog binnenvader van het weeshuis in Naarden. Dat scheen elkaar niet te hinderen. Uit een inspectierapport van 25 januari 1812 blijkt dan meester Lambert Huisman al voor de klas te staan. Mogelijk had deze toen nog de status van hulponderwijzer.

Na de dood van Pieter Ledder werd hij tot schoolmeester aangesteld. Hij ging wonen op de hoek van de Kerkstraat met de Kapelstraat. Aanvankelijk zal meester Huisman nog in de school van Ledder zijn blijven lesgeven, In 1827 besluit de gemeenteraad om de oude school af te breken en aan het huis van de schoolmeester - in de Kapelstraat - een schoolvertrek aan te bouwen van 9,5 x 4,6 m, geschikt voor 60 á 70 kinderen, tesamen met een woonvertrek voor de onderwijzer. Die had toen al vijf jaar zijn beste kamer afgestaan als raadskamer.

     
Afb. 28: De gemeenteschool uit 1864 op de hoek van de Kapelstraat
met de Kerkstraat. Rechts het woonhuis van de schoolmeester.
 

Meester Huisman, die ongehuwd bleef, werd in huis bijgestaan door zijn zus Wijntje, die naast de zorg voor het huishouden ook aan de kleuters het een en ander bijbracht. Daarnaast schijnt zij ook de taak van het luiden van de klok en verzorgen van begrafenissen verricht te hebben. Tot 1844 gaf meester Huisman les. Toen werd hij ziek en moest zich door een hulponderwijzer bij laten staan. Na zijn overlijden in 1845 werd zijn assistent Jacobus Antonius Hoogen tot zijn opvolger benoemd. Voor Wijntje werd een oplossing gevonden. Meester Hoogen voelde er niet voor haar in huis te nemen. Wijntje werd bereid gevonden om haar taken en inkomsten uit het klokluiden en begrafenissen aan Hoogen over te dragen, in ruil voor f. 50,- uit het inkomen van de schoolmeester. Zij was inmiddels hulpbehoevend geworden en niet meer in staat alleen te wonen. Als onderdak kreeg zij een kamer in het nieuwe rechthuis, dat juist in gebruik werd genomen. Zo regelde burgemeester Banis dat soort zaken.

Het schoollokaal achter het huis van meester Hoogen werd binnen 40 jaar te klein. Voor f. 6000,- verrees naast het huis van de meester in 1865 een nieuwe gemeenteschool.  De Hilversumse huisarts dr. van Hengel geeft in zijn “Geneeskundige Plaatsbeschrijving van het Gooiland” uit 1875 een beschrijving van het schoolgebouw. Het meet 17,95 x 6,4 m. Een speelplaats ontbreekt evenals urinoirs. Daarentegen heeft het wel twee privaten, één voor jongens de ander voor meisjes. De schoolbanken zijn van oud model in twee grootten. De verwarming bestaat uit ‘eene kachel zonder mantel’. Als hij dit schrijft is de school tien jaar oud en zegt hij dat de muren vochtig zijn, reeds gescheurd en geschoord. De gemeenteschool bleef tot eind 1886 in gebruik. Meester Hoogen ging per 1 november 1886 met ontslag.

 

     
 
Afb. 29: Het eigengemaakte
gemeentewapen dat het Rechthuis
sierde tussen 1817 en 1885.

Het Rechthuis

Direct nadat het dorp zijn zelfstandigheid had verworven werd de noodzaak gevoeld om een eigen vergaderruimte voor de raad te hebben. Zoals toentertijd op het platteland gebruikelijk was vergaderde men in een herberg. Zo deed men het hier ook. Men besloot al in juni 1817 de herberg “de Haas” van Gerrit Hazelager als plaats voor het Regthuis te kiezen. Die herberg stond aan de Brinklaan tegenover de Veldweg, kadastraal op sectie Anr. 157, waar nu de beddenwinkel op nr. 79 staat.
Hazelager kreeg het recht om het gemeentewapen vóór zijn herberg te plaatsen. Er moest een gemeentewapen bedacht worden. Aan het wapen van Hilversum met vier boekweitkorrels voegde ze een vijfde toe, zette het geheel in een kring en klaar was het wapen. Een kroon er boven maakte er een mooi geheel van. Heraldisch klopte er niets van, maar dat was niet belangrijk. In deze vorm zou het bijna tachtig jaar dienst doen.

Gerrit Hazelager bleek niet zo’n betrouwbare huisbaas. Regelmatig leende hij geld en gaf zijn herberg als onderpand. Dat gebeurde ondermeer in april 1821, maar toen kon Hazelager niet aan zijn verplichtingen voldoen en “De Haas” werd door de schuldeiser verkocht in november 1822 en zat Bussum zonder rechthuis. De laatste vergadering in het rechthuis was op 8 januari 1823. De schoolmeester werd bereid gevonden om zijn beste kamer af te staan voor de raadsvergaderingen en meer dan twintig jaar kwam de gemeenteraad daar bij elkaar. Het overlijden van meester Huisman maakte aan het gebruik van zijn woonhuis een einde. Zijn opvolger voelde er niets voor om zijn beste kamer aan de gemeente af te staan.

      
Afb. 30: Het Raadhuis gebouwd in 1845. Het stond aan de Brinklaan
schuin tegenover De Rozenboom. Boven de toegangspoort was het
gemeentewapen aangebracht.
 

Het raadslid Hendrik Kaarsgaren bood aan om voor een nieuw rechthuis te zorgen van voldoende grootte, tegen een huur van ruim dertig gulden per jaar, welk aanbod dankbaar aanvaard werd. Het gebouw kwam te staan aan de Brinklaan tegenover de stalhouderij die naast de Rozeboom stond. Het pand had een rieten kap en de vorm van een boeren woning. Om het meer alure te geven werd er een stenen poort met een houten deur naast gebouwd. Boven de deur kwam weer het gemeentewapen, dat al bij “De Haas” gestaan had. De huurprijs steeg hierdoor naar f. 40,- / jaar.
Gedurende veertig jaar werden hier de besluiten genomen die de ontwikkeling van het dorp zouden bepalen, werden huwelijken gesloten, geboortes aangegeven en overlijdens gemeld. Burgemeester Westenberg deed in 1871 een poging om voor f. 1300,- een groter pand te kopen en tot raadhuis in te richten, doch de raad vond dit bedrag onverantwoord hoog en dus ging het niet door.

 

      
 
Afb. 31: De eerste steen voor de waterstaatkerk gelegd
door pastoor J.v.d. Brink op 22 maart 1843.

De waterstaatkerk

Sinds de oude St. Vituskapel in de loop van de 17e eeuw te klein was geworden had de parochie in het achterste gedeelte van een boerderij aan de St. Vitusstraat een schuurkerk ingericht. Na ongeveer anderhalve eeuw was men toe aan een beter godshuis. De energieke pastoor J. van den Brink werd hiervan de drijvende kracht.

      
Afb. 32: De Rooms-Katholieke kerk van 1844 (naar een bouwkundige
tekening in de pastorie der Rooms-Katholieke gemeente). Zo zag de
waterstaatkerk er uit. De pastorie aan de rechterkant is hiervan
behouden gebleven.
 

Op allerlei manieren werden gelden bijeen gebracht. Uit giften van parochianen, de verkoop van de schuurkerk en een stuk kerkeland, subsidies van de Staat en de provincie Noord-Holland, het uitgeven van aandelen van f. 100,- à 4% en doordat de pastoor van zijn eigen inkomsten gedurende negen jaar f. 400,- / jaar stortte, kwam de bouwsom van f. 22050,- bij elkaar.

Op 22 maart 1843 legde pastoor Van den Brink de eerste steen voor een eenvoudige kerk met pastorie die op het Ministerie van Waterstaat was ontworpen. De kerk kwam langs de Brinklaan te staan in Noord-Zuidrichting en met de toegang onder de toren aan de Brink. De pastorie stond in het verlengde van de kerk. De consecratie volgde op 11 juli 1844 door Mgr. C.L. van Wijckerslooth. (afb. 32)

Veertig jaar later in 1884 was deze kerk te klein voor de groeiende parochie en begon men de bouw van een neo-gothisch godshuis, die de groeiende welvaart van het dorp benadrukte. Opmerkelijk in dit verband is, dat niet alleen kerkelijk maar ook wereldlijk hetzelfde gebeurde . Eveneens na veertig jaar zou het oude boeren-rechthuis worden vervangen door een prestigieus raadhuis.