Home
Open Menu
Bussums Historisch Tijdschrift, jaargang 36, nummer 3 (december 2020), pag 37-39

Een kleine geschiedenis van het openbaar onderwijs in Bussum

Nol Verhagen

Klik hier voor de PDFversie van dit artikel

 

Aan het eind van de 19de en het begin van de 20ste eeuw beschouwde de gemeente het als haar plicht om voor goed (openbaar) onderwijs te zorgen. Op dat moment waren er (behalve het katholieke internaat in het klooster Mariënburg) in Bussum vrijwel alleen particuliere scholen, zoals Instituut Gooiland, Instituut Roodhuyzen, Instituut Brandsma en Instituut Nova. Zie voor een uitvoeriger inventarisatie het artikel ‘Naar school in Bussum’ in het Bussums Historisch Tijdschrift jrg. 34, nr. 1, mei 2018.

 

Openbaar onderwijs in iedere wijk

De gemeente richtte achtereenvolgens de Koning Willemschool (1886) op, de Koningin Wilhelminaschool (1899), de Prins Hendrikschool (1905), thans Vondelschool, en de Koningin Emmaschool (1915). In 1924 volgden nog School D (later Prinses Marijkeschool en nog later De Linde) en in 1933 School G (later de Jan Ligthartschool). De gemeente volgde daarmee in grote lijnen de ontwikkeling van het dorp, zodat in elke wijk een openbare school beschikbaar was. Na de Tweede Wereldoorlog, toen de Wester- en de Oostereng werden volgebouwd, volgden ook daar openbare scholen: de Prinses Margrietschool in de Westereng (1959) en de Frederik van Eedenschool in de Oostereng (1967). In totaal zijn dat 8 scholen, waarvan er nu nog maar één over is, de Emmaschool.

Ik sprak met Ellen Groten en Hans den Breejen over de teloorgang van het openbaar onderwijs in Bussum. Beiden waren betrokken bij de in 1983 opgerichte Bestuurscommissie Openbaar Onderwijs (BOO), die namens de gemeente het bestuur en het beheer voerde over het op dat moment resterende openbaar onderwijs in Bussum. Dat was toen al gereduceerd tot de Emmaschool (in de noordelijke rand van het Spiegel), De Linde (in het Godelindekwartier), de Frederik van Eedenschool in de Oostereng en de Koningin Wilhelminaschool en de Prinses Margrietschool in de Westereng. Hans den Breejen was van 1988 tot 1997 voorzitter van de BOO en Ellen Groten was beleidsambtenaar Onderwijs bij de gemeente en later secretaris van de BOO.

 

De opkomst van confessionele en bijzonder-neutrale scholen

De geschiedenis van het openbaar onderwijs in Bussum wordt gekenmerkt door een gestage afkalving van het aantal openbare scholen, in een periode waarin de bevolking alleen maar in omvang toenam, tot wel 40.000 inwoners in de jaren zeventig. De Koning Willemschool in het centrum was al in 1924 gesloten, waarna het gebouw werd gebruikt als Ambachtsschool. In 1950 was de Jan Ligthartschool omgevormd tot een school voor individueel onderwijs (Indon). De sluiting van die scholen was het gevolg van teruglopende leerlingenaantallen.

De oorzaak daarvan was dat het openbaar onderwijs steeds meer concurrentie kreeg van andere scholen, te beginnen met de katholieke scholen. De katholieke kerk in Bussum breidde zich uit van één parochie tot wel vier parochies, met ieder hun eigen kerk en ieder hun eigen jongens- en meisjesschool: de St.-Vituskerk, de Koepelkerk, de Heilig Hartkerk en de Jozefkerk. De hiervoor genoemde particuliere instituten ontwikkelden zich tot ‘gewone’ protestantschristelijke scholen.

Daarnaast ontstond in Bussum een aantal scholen met een eigen pedagogisch programma, met als meest in het oog springend het Montessorionderwijs. Al vanaf 1915 bestond er een vorm van Montessorionderwijs, dat uiteindelijk zou resulteren in twee Montessorischolen (katholiek en neutraal) respectievelijk aan de Johannes Verhulstlaan en de Busken Huëtlaan. In de jaren zeventig was daar de antroposofische Vrije School Michaël bijgekomen. Al deze bijzondere scholen ontstonden op initiatief van ouders en leerkrachten die zelf baas over het onderwijs en de school wilden zijn. Niet toevallig natuurlijk, in een gemeente met een relatief hoog percentage hoogopgeleide, eigenzinnige en soms ook eigenwijze inwoners.

     
  Toch heeft ook de BOO de afkalving van het openbaar onderwijs in Bussum niet kunnen tegengaan  
     

Het openbaar onderwijs in de knel

Het openbaar onderwijs trok in deze concurrentiestrijd in twee opzichten aan het kortste eind. In de eerste plaats beschikten de niet-openbare scholen via de ouderlijke bijdrage over soms aanzienlijke financiële middelen om leuke dingen mee te doen. De gemeente was door het principe van financiële gelijkstelling eigenlijk aan handen en voeten gebonden: iedere extra-financiële bijdrage die de gemeente aan het openbaar onderwijs uitgaf, moest naar rato ook aan de andere scholen worden gegeven. En er mocht geen ouderlijke bijdrage van enige importantie worden gevraagd, vrijwillig of niet. Daarmee kwam het openbaar onderwijs dus op materiële achterstand te staan.

Daarnaast stond de gemeente als schoolbestuur ongewild op grotere afstand van ‘haar’ scholen dan de besturen van de overige scholen, die immers werden gevormd door ouders of vertegenwoordigers van kerken of genootschappen die de scholen hadden opgericht. Waar die besturen onbekommerd de belangen van hun eigen school konden behartigen, moest de gemeente vanwege haar onpartijdigheid juist de uiterste terughoudendheid betrachten wanneer het om het openbaar onderwijs ging. Bovendien was het onderwijs voor de gemeente maar een van de vele beleidsgebieden die om aandacht vroegen.

Dat laatste probleem werd in zekere zin opgelost door de instelling van de BOO, die weliswaar niet als bevoegd gezag voor de openbare scholen kon optreden, maar die wel een omvangrijk pakket uitvoerende taken en bevoegdheden kreeg toebedeeld. Zo kwam er in elk geval een instantie die dichter bij de ouders en de leerkrachten stond dan het per definitie wat logge gemeentelijk apparaat en die beter voor de belangen van het openbaar onderwijs kon opkomen dan de gemeente zelf.
Bussum was een van de eerste gemeenten in Nederland die voor deze oplossing koos, een keuze die in de loop van de tijd veel navolging heeft gekregen in andere gemeenten. Hans den Breejen vertelt dat hij in de jaren negentig, dus geruime tijd na de oprichting van de BOO, nog geregeld in het land lezingen gaf over de in Bussum gekozen constructie.

 

Ouders en leerkrachten aan de macht

Toch heeft ook de BOO de afkalving van het openbaar onderwijs in Bussum niet kunnen tegengaan. Het was al in de jaren zestig begonnen met de ‘uitbraak’ van de Prins Hendrikschool uit het openbaar onderwijsstelsel. Lees hierover mijn artikel ‘Van Prins Hendrik naar Vondel’ in BHT nr.1, mei 2018.
Het kwam erop neer dat de leerkrachten en de ouders de gemeente dwongen de Prins Hendrikschool de status bijzonder-neutraal toe te kennen, waardoor zij af waren van de directe bemoeienis van de gemeente. De school werd vervolgens Vondelschool gedoopt. Pikant detail is dat een deel van het onderwijzend personeel tien jaar later een tweede coup pleegde door met een deel van de ouders en de leerlingen uit de Vondelschool te treden en de Vrije School Michaël op te richten.

 

Verarming en verkleuring van de openbare scholen

De resterende openbare scholen werden allengs steeds meer de arme broertjes en zusjes van de bijzondere scholen en trokken steeds minder leerlingen, die vaak afkomstig waren uit minderdraagkrachtige gezinnen die de hoge ouderlijke bijdragen niet konden of wilden betalen, én uit gezinnen van migranten. Het openbaar onderwijs verarmde en verkleurde daardoor, wat – zoals bekend – een zichzelf versterkend proces is. Het gevolg was dat er een gestage trek ontstond van de openbare naar de bijzondere scholen in de buurt, bijvoorbeeld van De Linde naar de nabijgelegen katholieke school de Hoeksteen. Aan de zuidkant van Bussum was de Koningin Wilhelminaschool aan de Brinklaan al in 1954 verhuisd naar de Westereng. Daar werden aanvankelijk nog twee openbare scholen bijgebouwd om de babyboom te kunnen opvangen, maar die moesten – toen het aantal leerlingen terugliep – betrekkelijk snel weer worden gesloten: de Frederik van Eedenschool in 1978 en de Prinses Margrietschool in 1984. Uiteindelijk resteerde alleen de Koningin Wilhelminaschool aan de Tromplaan, die in de jaren negentig fuseerde met De Linde en verder ging onder de naam De Ruyterschool. Die fuseerde op zijn beurt weer met de van oorsprong katholieke Jenaplanschool de Jaarring. Maar ten slotte is ook die ten onder gegaan in het conglomeraat van de Brede School aan de Akkerlaan. Dat de Emmaschool in het Spiegel het als enige openbare school wel heeft gered, komt waarschijnlijk doordat die gelegen is een welgestelde buurt, waar de eerder gesignaleerde verarming en verkleuring is uitgebleven.

 

Vechten tegen de bierkaai?

Op mijn vraag aan Groten en Den Breejen of zij niet vaak het gevoel hadden tegen de bierkaai te vechten, antwoordden beiden bevestigend. Maar de bierkaai werd niet, zoals vaak wordt gedacht, gevormd door een gemeente die zich niets aan het openbaar onderwijs gelegen liet liggen, maar door maatschappelijke ontwikkelingen, die zich ook elders in ons land hebben voorgedaan. In een welgestelde omgeving als Bussum deden die zich des te sterker voelen. Inmiddels hebben veel openbare scholen overal in Nederland een zelfstandig bestuur. Dit is ook het geval bij de openbare basisscholen in Gooise Meren (en omgeving). Deze maken alle deel uit van de Stichting Basisonderwijs Gooi en Vechtstreek, met de werkwerknaam 'Talent Primair’. De gemeenteraad heeft voor het openbaar onderwijs een (op afstand) toezichthoudende rol.

 

 

Bussums Historisch Tijdschrift, jaargang 36, nummer 3 (december 2020), pag 40-43

Willem Cornelis Bauer: Nederlandse architect en Amerikaanse kunstschilder

Eric Bor

        
 
 Portret van Willem Bauer

Klik hier voor de PDF versie van dit artikel
De afbeeldingen zijn aanklikbaar voor vergroting

 

In Nederland is Willem Bauer bekend als de architect van de kolonie Walden. Hij ontwierp hutten op Walden en villa’s in Bussum voor familie en vrienden van Frederik van Eeden, waaronder een villa voor Jo Bonger, de schoonzus van Vincent van Gogh. Deze villa kwam onlangs in het nieuws vanwege plannen om hem te slopen. Diverse erfgoedinstanties, waaronder de Historische Kring Bussum, zijn daartegen in het geweer gekomen. In Amerika is Bauer vooral bekend om zijn aquarellen van landschappen in New Jersey. Zijn schilderijen worden daar voor flinke prijzen verhandeld en er zijn ook reproducties en ansichtkaarten van te koop.

 

Wilhelmus Cornelis Bauer werd geboren op 31 juli 1862 in Den Haag. Zijn vader, George Hendrik Bauer, was decorateur Verpoorten, kwam uit een schildersfamilie. De kinderen Bauer leerden allemaal al vroeg tekenen. Willems zes jaar jongere broer Marius zou uitgroeien tot een bekende Nederlandse schilder, hij was een studiegenoot en vriend van George Breitner.

     
W.C. Bauer – Christmas Morning
 

Willem ging studeren aan de Academie voor Beeldende Kunst in Den Haag, zijn studiegenoten waren onder anderen Willem Kromhout en de jonge Karel de Bazel. Al op zijn vijftiende verbleef hij een jaar in Amerika: in het stadje Elisabeth (New Jersey) aan de oostkust van Amerika, op 30 km afstand van New York.

Tussen 1880 en 1892 verbleef hij verscheidene keren voor langere tijd opnieuw in Elisabeth. Hij maakte aquarellen en litho’s van het landschap van New Jersey, die goed verkocht werden. Zijn schilderijen werden tentoongesteld door de Salmagundi Club in New York, de Brooklyn Art Association in Brooklyn, de Boston Art Club in Boston, de National Academy of Design in New York en de Pennsylvania Academy of the Fine Arts in Philadelphia.

 

Reis door Europa

     
 
Ontwerp voor een theater in Byzantijnse stijl, 1891

In 1887 maakte Willem met zijn ouders een reis naar België, Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk en Italië. Hij publiceerde reisverslagen in het Bouwkundig Weekblad en nam met zijn reisschetsen deel aan tentoonstellingen van de Maatschappij tot bevordering van de Bouwkunst.

Hij werd in 1888 lid van het genootschap Architectura et Amicitia en schreef kritieken in het tijdschrift De Opmerker van dat genootschap. Hij maakte indrukwekkende ontwerpen voor diverse prijsvragen, waarin duidelijk de grote invloed tot uiting kwam die met name de architectuur van de San Marco in Venetië op hem heeft gehad. Hij werd ook beïnvloed door de schetsen die zijn broer Marius hem in zijn brieven uit onder andere Constantinopel, Rusland, Egypte en Java zond.

Socialisme

Net als veel van zijn tijdgenoten had hij hoge verwachtingen van het socialisme. In zijn rede ‘Kunst en Hervorming’ (een studie) voor de vergadering van het genootschap Architectura et Amicitia zei hij in 1891, dat de ideeën van het socialisme terugkomen in de kunst: ‘Deze wordt niet meer beheerscht door eene prachtlievende, oververfijnde beschaving; zij gaat niet meer gebukt onder de druk van een fanatiek geloof; zij wordt niet geïnspireerd door eene reine godsdienstige vereering, maar heeft zich, als de geheele samenleving, van alle banden losgemaakt, en, zich de richting bewust, welke zij te volgen heeft, schrijdt zij voorwaarts, strevend naar datgene wat het Socialisme tracht te bereiken: de verheffing en vereering van het Individualisme. De mensch, niet als een deel van het groote raderwerk, maar de mensch als een geheel, als een zelfstandig organisme, vrij van onnatuurlijke dwang […]’ Verheven bewoordingen die getuigen van een opmerkelijke interpretatie van het socialisme, die overigens gedeeld werd door de Engelse schrijver en dandy Oscar Wilde.

 
De hut van Bauer op Walden
      

Zijn kunst omschrijft hij in het blad Architectura (de opvolger van De Opmerker) in 1894 als volgt: ‘Een kunst die schoon zal zijn als de geur van de heidebloem na een drukkenden dag, weelderig als de roos, zich ontbottende in de eerste zomerdagen, machtig als een zomerwoud en fijn als de vlinder die den rupsvorm heeft afgelegd, tintelend van leven als de jubelende zang van den vrijen vogel.’ Bauer geloofde in ‘het welzijn van allen dat moet worden bereikt. Dan zullen zij paleizen bouwen om de omgeving te laten deelen in het geluk van het leven, die armen, die zoveel eeuwen het leven niet kenden en eindelijk de schoonheid ervan zien […] En deze gebouwen zullen schoon zijn en edel. En die kunst zal rijk zijn, machtig rijk. Dat is de kunst die komen zal! Architect! Maakt dat gij gereed zijt!’ Voor de hedendaagse lezer zullen deze bewoordingen wat geëxalteerd aandoen, maar zulk taalgebruik was in die tijd niet ongewoon.

Waardering voor zijn werk

      
 
 De Lelie in 1905, Nieuwe ’s-Gravelandseweg 86

Zijn ontwerpen werden door de Architectura-architecten bewonderd. Zo schreef het Bouwkundig Weekblad over het ontwerp voor een theater uit 1892: ‘De inzending van Bauer is op originele wijze eclectisch. In de details zijn Islamitische, flamboyante en Byzantijnse motieven te herkennen. Voor een tijdgenoot lijkt dit ontwerp een Oostersch paleis uit Duizend en één nacht, een paleis van Alladin, gebouwd van porfyr en agaat en getooid met kostbare steenen.’

De vakjury’s waren minder enthousiast over zijn ontwerpen. Zij noemden hem ‘uit zijn eeuw gevallen’, maar bedoelden waarschijnlijk dat de tijd van Pierre Cuypers met zijn creatieve ontwerpen van het Centraal Station, het Rijksmuseum en tal van neogotische kerken voorbij was. 

Dat zijn ontwerpen niet uitgevoerd werden, lag ongetwijfeld ook aan hem zelf. Anderen, zoals Kromhout of Berlage, waren bereid hun ontwerpen aan te passen aan de wensen van de jury’s. Daar was Bauer de man niet naar. Hij was zeer overtuigd van zijn eigen kwaliteiten en weigerde te buigen voor wie dan ook. Toen Hendrik Berlage hem in 1896 vroeg delen van het ontwerp van de in Amsterdam te bouwen Beurs voor zijn rekening te nemen, weigerde hij hooghartig.

 

      
 
De Maerle in 1909, Nieuwe ’s-Gravelandseweg 77

Op Walden

In 1897 begon Bauer te lijden aan depressies, veroorzaakt door niet-behandelde syfilis. Zo kwam hij als patiënt bij psychiater Frederik van Eeden terecht. Toen Van Eeden in 1898 de kolonie Walden stichtte op het terrein van villa Cruijsbergen in Bussum, vroeg hij Willem Bauer om hutten te ontwerpen naar het voorbeeld van de hut van Henry David Thoreau. Bauer betrok zelf ook een hut in de kolonie van Van Eeden.

Omdat de vrouw en de zonen van Van Eeden er niet voor voelden in een sobere hut te gaan leven, moest Bauer voor hen een villa op het terrein ontwerpen. Dit werd De Lelie (Nieuwe ’s-Gravelandseweg 86). Betsy Hoogstraten van Hoytema, een (al dan niet platonische) vriendin van Van Eeden, liet eveneens een door Bauer ontworpen villa nabij Walden bouwen: De Maerle (de merel), Nieuwe ’s-Gravelandseweg 77. Ook voor Truida Everts, die Van Eedens tweede vrouw zou worden, en voor timmerman Willem van Riet ontwierp Bauer villaatjes. In 1901 ontwierp hij de villa voor Jo Bongers op Regentesselaan 39. Opvallend is dat hij voor de villa’s heldere kleuren als uitdrukkingsmiddel koos en niet, zoals veel tijdgenoten, het bouwmateriaal het aanzien liet bepalen.

 

Aerdenhout

Zijn broer Marius en diens vriend George Breitner voelden ook wel wat voor een Bauervilla: hun villa’s zouden in Aerdenhout verrijzen. Tevens liet Betsy Hoogstraten van Hoytema in Aerdenhout nog een door Willem Bauer ontworpen villa neerzetten: De Merelhof. Betsy Witsen-van Vloten volgde haar voorbeeld. Bauer heeft in Aerdenhout nog een villa ontworpen, maar voor wie die gebouwd is, is vooralsnog onbekend.

          
Villa voor George Breitner in Aerdenhout
 
Villa De Merelhof in Aerdenhout

 

Bauers dood

De depressies werden niet minder en Willem begon ook verlammingsverschijnselen te krijgen. Op 30 september 1904 trof Frederik van Eeden hem dood aan: ‘Zondag ging ik de arme W.B. opzoeken en vond hem opgehangen in het tuinschuurtje. Arme, fijne, gevoelige man met zijn groote gaven. Het was een lugubere vlek in dit blije, hoopvolle, levenrijke voorjaar [sic]. Maar ik ben niet gedeprimeerd.’

De betekenis van de Architectura-groep voor de ontwikkeling van de architectuur is groot geweest. De architecten Bauer, De Bazel, Kromhout, Lauweriks en Walenkamp waren de ware opvolgers van Cuypers. Zonder hen zou de architectuurfantasie – een noodzakelijke correctie op de functionalistische architectuur, die zich aanpaste aan de belangen van de opdrachtgever – wellicht verloren zijn gegaan.

 

Bronnen

  • C. de Jong e.a. Nooit gebouwd; Architectura, Nederlandse architectuur 18993-1918 (uitgave van het Architectuur Museum)
  • de tijdschriften Bouwkundig Weekblad, De Opmerker en Architectura
  • fineartdatabase.org
  • andrewcrusack.com
  • fineartamerica.com
  • Historische Kring Bussum en Stichting Ons Bloemendaal.

 

 

Bussums Historisch Tijdschrift, jaargang 36, nummer 3 (december 2020), pag 44-45

Gezondheid!

Nol Verhagen

Kliek hier voor de PDFversie van dit artikel
De afbeelding is aanklikbaar voor vergroting

 

Gezondheid! Dat is wat we elkaar toewensen, wanneer iemand niest. Of moet ik de verleden tijd gebruiken: toewensten? Niezen is in tijden van corona een beladen handeling geworden. Je ziet de mensen wegduiken – hoewel de niezer nu meer dan ooit de gelukwens Gezondheid! kan gebruiken. Ook in andere talen wenst men elkaar graag Gezondheid! toe. Denk maar aan het Duitse Gesundheit! of het Franse santé! Of het uit het Latijn afkomstige proost! (van prosit – het ga je goed).

Nu gezondheid ook voor anderszins gezonde mensen niet meer vanzelfsprekend is, worden we ons weer bewust van de impact van zo’n simpele nieswens. We raken snel van de kook wanneer onze gezondheid wordt bedreigd. De werkers in de gezondheidszorg zijn plotseling onze helden. En de gezondheidszorg zelf blijkt een onmisbare (en omvangrijke) pijler van onze verzorgingsstaat te zijn. Maar zo vanzelfsprekend waren gezondheid en gezondheidszorg vroeger niet. En met vroeger bedoel ik niet het verre verleden, maar de tijd van onze overgrootouders laten we zeggen de tweede helft van de 19de eeuw, dus zo’n 150 jaar geleden.

In de inleiding van het boekje De Majella te Bussum, in 1960 geschreven ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van het Majella-ziekenhuis, geeft de Bussumse historicus dr. A.C.J. de Vrankrijker een inkijkje in de stand van de gezondheidszorg in de periode voorafgaand aan de oprichting van het ziekenhuis. Voor de jongere lezers: op de plek waar zich nu het Majellapark bevindt, torende tot 1994 een enorm negen verdiepingen hoog ziekenhuis uit boven de bebouwing van het Spiegel.

De Vrankrijkers schets van de toestand vóór de stichting van het Majella-ziekenhuis begint met de zin: ‘In 1832 heerste de cholera in het land.’ De gouverneur van de provincie Noord-Holland stuurde aan alle burgemeesters een lijst toe van ‘genees- en voorbehoedmiddelen, die in elke gemeente schouwbaar voorhanden moeten zijn’. Bussum, toen een zojuist zelfstandig geworden gemeente van krap 600 inwoners, had op dat moment niet eens een eigen (huis)arts en de burgemeester kon dus met die lijst niet veel beginnen.

Enkele decennia later, omstreeks 1860, was het niet veel beter gesteld. Zowel het geboortecijfer als het sterftecijfer lag voor onze begrippen schrikbarend hoog. In Bussum overleed 20% van de pasgeborenen in het eerste levensjaar! Dat kwam door het gebruik van water uit een pomp naast een mesthoop, het voeden van baby’s uit verontreinigde flesjes, en het sporadisch wassen van kleine kinderen, alweer met vervuild water. De gemiddelde levensverwachting van een in 1860 in Bussum geboren kind bedroeg niet meer dan 35 jaar. De gemiddelde lengte van dienstplichtig militairen uit Bussum was, onder meer als gevolg van onvoldoende en eenzijdige voeding, ongeveer 1,60 m. Ondanks verwoede pogingen van de gemeente om een arts of desnoods een vroedvrouw aan te trekken, lukte dat pas in 1865. De komst van de spoorweg in 1874 bracht wel grote veranderingen teweeg, maar de autochtone (boeren)bevolking van Bussum bleef nog lang vasthouden aan oude gewoonten. Zo werd pas in 1898, op particulier initiatief, een waterleiding aangelegd.

Tot halverwege de 19de eeuw waren ziekenhuizen eerder tehuizen des doods dan tehuizen ter genezing. Pas aan het einde van die eeuw ontstond ‘parallel aan de strijd voor betere sociale toestanden, aan verbetering in de woningbouw, aan de modernisering van handel en bedrijf, […] aan de verandering van inzichten omtrent hygiëne,’ iets wat op een modern ziekenhuis lijkt. De stichting van het Majella-ziekenhuis in 1910 sloot aan bij die ontwikkelingen. Het was, nog maar ruim honderd jaar geleden, het begin van de moderne gezondheidszorg, die ons nu bij de bestrijding van Covid-19 zo goed van pas komt.

 

Bron
Dr. A.J.C. de Vrankrijker, De Majella te Bussum,MCMX-MCLX. Hilversum, 1960

 

Bussums Historisch Tijdschrift, jaargang 36, nummer 3 (december 2020), pag 46-47

BUSSUM IN BOEKEN

Klaas Oosterom

Klik hier voor de PDF versie van dit artikel
De afbeeldingen zijn aanklikbaar voor vergroting

In deze rubriek bespreekt Klaas OOsterom  boeken die bij het thema van dit nummer passen en nieuw uitgekomen boeken. Ze zijn in te zien in het Documentatiecentrum van de Historische Kring en veel is op het Internet te vinden.

 

Naarden, een vogelvlucht door tijd en ruimte

Een uniek boek over Naarden van oost naar west.
Historicus Henk Schaftenaar geeft toelichting bij 40 luchtfoto’s, die tussen 1924 en 1968 door KLM Aerocarto zijn genomen. Bij elk van de 40 luchtfoto’s staat een nauwkeurige beschrijving van wat er te zien is en wat er, sinds de foto is genomen, met dat stukje Naarden is gebeurd.

De Stichting Vijverberg gaf het boek uit in 2000.

 

Thuis in Naarden

Een boek ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van Woningstichting Naarden, voorheen Woningcorporatie Volksbelang.
Het boekje beschrijft de bouw- en koopprojecten van 1914 tot 2014, die door Volksbelang en haar opvolgers zijn gerealiseerd. De auteur, de Bussumse historicus Paul Schneiders, schetst bij wijze van inleiding de volkshuisvesting in Nederland vanaf 1900, de wetgeving én de woningnood en de woningbouw na 1945. Daarna worden de 26 gerealiseerde wooncomplexen gepresenteerd.

In 2014 door Tadorna Media uitgegeven.

 

De Laan uit

Richard Mouw (1959) schreef over de periode 1933-1945 van de Graaf Willem de Oudelaan en omgeving in Naarden.
‘Een Gooise wijk in crisis en oorlog’, is de ondertitel. De wijk werd in de jaren 30 gebouwd.
Het boek bestaat uit twee delen: de wijk/laan en de bewoners. Degenen die in 1942 ‘de laan uit’ moesten waren de joodse bewoners. En op Dolle Dinsdag, 5 september 1944, vluchtten NSB-ers op hun beurt de laan uit.

Het boek is in 2016 in eigen beheer uitgegeven. Te koop bij de auteur: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken..

 

 

De Omroeper

Dertig jaar lang verscheen bij de stichting Vijverberg ‘De Omroeper’, historisch tijdschrift voor Naarden.
Vooral Henk Schaftenaar heeft ongelooflijk veel onderzoek gedaan en dat in tekst en beeld vastgelegd in dit kwartaaltijdschrift. Belangrijk is dat niet alleen de vesting maar ook de ommelanden veel aandacht krijgen.

De 29 jaargangen, van 1988 t/m 2016, zijn via  http://www.stichtingvijverberg.nl/  doorzoekbaar. Van harte aanbevolen.

 

Elke tijd zijn eigen gekte

Henke van der Heiden is beleidsadviseur Maatschappelijke Zorg in Gooise Meren. Zij heeft zich verdiept in hoe de Nederlandse samenleving vanaf 1500 omging met mensen die afwijkend gedrag vertoonden. Zo wordt de hulp beschreven die Frederik van Eeden gaf aan de aan alcohol verslaafde en met depressies kampende dichter Willem Kloos.
De link naar het heden wordt gelegd door portretten van (geïnterviewde) inwoners uit Gooise Meren die kampen met psychiatrische aandoeningen.

In 2020 uitgegeven bij WalburgPers. In de boekhandel te koop.

 

  

Jubileumboek Willem de Zwijger College

Ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van het Willem de Zwijger College is door de neerlandici en oudpersoneelsleden Marja Hendrickx, Eric Bor en Ruud Brik een 164 bladzijden tellend, rijkelijk geïllustreerd jubileumboek geschreven.
Het boek zou tijdens een onderwijscongres in mei 2020 verschijnen en op de reünie van 3 oktober aan de man gebracht worden.
Beide evenementen gingen echter als gevolg van de Covid19- pandemie niet door, waardoor het boek nu op de plank ligt, in afwachting van betere tijden.

 

 

Bussums Historisch Tijdschrift, jaargang 37, nummer 3 (december 2021), inhoudsopgave


 

  

 

Thema : Bussum en de televisie

 

 

 

 

  

Colofon en Inhoud
(van de redactie), pag. 1

Bussum en de televisie
(van de redactie), pag. 3

Een goed begin is het halve werk
auteur: Nol Verhagen, pag. 4-6

Een ooggetuigeverslag
auteur: Chris leenders, pag. 7-11

't Spant en de televisie
auteur: Eric Bor, pag. 12-15

Nieuw leven voor de wandel- en fietsroute: Bussum, bakermat van de Nederlandse televisie
auteur: Jan Schippers, pag. 16-18

Commerciële radio en televisie in Bussum
auteur: Eric Bor, pag.19-22

Leo van der Goot: van dj tot programmadirecteur
auteur: Eric Bor, pag. 23-26

Bussum als proeftuin van multi-kunstenaar Wim T Schippers
auteur: Jan Schippers, pag. 27-32

Dertien nieuwe struikelstenen in Bussum
auteur: Nol Verhagen, pag. 33-37

Bussumers in het leger van Napoleon
auteur: Iny Hoogendijk, pag. 38-41

Families in Bussum – sinds 1874
auteur: Nol Verhagen, pag. 42-43

Bussum in Boeken
auteur: Klaas Oosterom, pag. 44-47

 

Actueel

Monumentenschildjes geplaatst

 De eerste monumentenschildjes hebben in Gooise Meren hun bestemming gevonden. Wethouder Schimmel heeft ze uitgereikt aan de eigenaren van zes gemeentelijke monumenten in Bussum en Naarden.

In Bussum ging het om Statenlaan 30-32 (zie de foto's van de dubbele villa) en Stargardlaan 12. In Naarden om Lambertus Hortensiuslaan 8, Wethouder Königlaan 14 en Sint Annastraat 17. De gemeente heeft de schildjes laten maken om de 500 monumentale panden in Gooise Meren meer zichtbaarheid te geven. Voor zover bekend zijn er al rond de honderd schildjes aangevraagd die kunnen worden afgehaald bij de balie in het gemeentehuis. Bussum telt 75 gemeentelijke monumenten.

Lees meer...

Actueel

Stationsfeestje

NS en ProRail wilden graag even stilstaan bij de afgeronde renovatie van station Naarden Bussum. Daarom was het vrijdagmiddag 27 januari een drukke bedoening in de ruimte pal achter het documentatiecentrum van de Historische Kring Bussum. Uitgenodigd waren allereerst de mensen die direct betrokken waren bij de werkzaamheden van de afgelopen tijd. Verder stond de bijeenkomst open voor de pers en afgevaardigden van de gemeente, onder wie de burgemeester die alle betrokkenen dankte en het station een icoon van Gooise Meren noemde. Er was ook een select gezelschap van de Historische Kring Bussum aanwezig. In de geïmproviseerde ontvangstruimte hingen fotocollages van de HKB waarmee de recente werkzaamheden en veranderingen in het complex samen met het boeiende stationsverleden in beeld waren gebracht.

Lees meer...

Foto van de maand

Januari 2023

Deze keer in de rubriek foto van de maand twee foto's van de Herenstraat, met als thema vroeger en nu. De linker foto is uit 1898, de andere is eind 2022 gemaakt. De naam werd in het verleden met dubbel "e" geschreven;  waarom de straat een "e" is kwijt geraakt is onduidelijk. 

Het  is een van de oudste straten van Bussum en was een van de belangrijkste verbindingen tussen het centrum en ’t Spiegel. Er hebben scholen, boerderijen, logementen en winkels gestaan en lange tijd was het de enige straat waar de gemeente aan de overkant van het spoor bedrijven en winkels toestond.  Het pand rechts bij de spoorwegovergang is nr. 45 en daar is momenteel Café de Boemel gevestigd. Van 1980 tot 2010 was er een Café met Jazzclub “Langs de Lijn” gevestigd. Voor 1980 was er een drankhandel Janson de gebruiker van het pand. 

We hebben 124 gasten en geen leden online