Home
Open Menu
Bussums Historisch Tijdschrift, jaargang 36, nummer 3 (december 2020), pag 19-23

De blekerijen van Bussum

      
 
J.J. Hoorn, Blekerijen bij Bussum

Chris Leenders

Klik hier voor de PDF versie van dit artikel
De afbeeldingen zijn aanklikbaar voor vergroting

 

Op oude ansichten en foto’s van het gebied tussen Bussum en Naarden zijn tal van schoorstenen te zien. Een groot deel daarvan behoorde bij de wasserijen en blekerijen die zich in de loop van de 19de eeuw hadden gevestigd aan de boorden van de Bussumervaart en de zanderijsloten ter plaatse. 

Met de trekschuit

Al vanouds hadden de beter gesitueerde burgers niet veel animo om zelf de vuile was te doen. De was werd daarom vaak uitbesteed aan (boeren)vrouwen in de omgeving. De boeren hadden het in die tijd vaak niet breed en de extra inkomsten uit de wasserij kwamen hun heel goed uit. Ook in Bussum kwam deze bedrijfstak tot bloei. Aanvankelijk kwamen de klanten vooral uit Naarden en – enige tijd later – tevens uit Amsterdam. De aanvoer van was uit Amsterdam vond plaats via de geregelde beurtvaartdiensten, die een nauwkeurige dienstregeling aanhielden. Omstreeks 1860 nam dit zulke vormen aan dat het de wasvrouwen boven het hoofd groeide. In die tijd werden hier de eerste professionele, dat wil zeggen industriële blekerijen gevestigd.

      
De blekerijen langs de Bussumervaart omstreeks 1890.
Bussum kreeg pas aan het begin van de 20ste eeuw een
echte haven
 

 

Schoon water en schone lucht

In de archieven wordt al omstreeks 1760 melding gemaakt van blekerijen in de omgeving van Bussum; J.J. Hoorn schilderde ze in 1777. Goed is te zien welk een omvang de blekerijen toen al hadden. Omstreeks 1830 waren die echter in het Bussumse weer verdwenen, om later in de 19de eeuw terug te keren.

Voor een blekerij had je niet veel meer nodig dan schoon water en schone lucht. Het water uit de afzandingsloten rond Bussum en Naarden was glashelder en volop beschikbaar. Veel kapitaal hoefde je niet te hebben. Met een schuur met een goede stookplaats en wat kuipen en ketels en stampblokken, zeep en een bleekveld bij het huis of de boerderij kwam je al een heel eind. Meestal begon een lid van de familie een bescheiden bedrijfje en even later werkte het hele gezin in de blekerij, want deze groeiden als kool. Niet alleen in Bussum trouwens. Ook in andere plaatsen onder de rook van Amsterdam waar schoon water beschikbaar was, ging het zo, bijvoorbeeld in Nederhorst den Berg en ’s-Graveland.

Zoals gezegd waren het vooral gegoede Amsterdamse burgers die hun was naar Bussum stuurden. Dat ging vaak om 15 tot 25 waszakken tegelijk, want de gezinnen waren groot en de was werd nog niet wekelijks gedaan.

      
   

 

De blekerijen aan de Bussumervaart en de zanderijsloten tussen Naarden en Bussum, omstreeks 1900.
1. Verhoeven; 2. Van Dalen; 3. Schimmel; 4. Hein Ernst; 5. Ruizendaal; 6. Van Eijden; 7. Van Blaricum; 8. G. Dekker; 9. G. van Blaricum; 10. R. v.d. Berg; 11. W. Majoor – Van Wijk; 12. Van Gelderen; 13. Dekker; 14. Van Eijden; 15. Verhoeven; 16. Schimmel; 17. R. van Breemen; 18. J. Dijkman; 19. M.& IJ. Ruizendaal; 20. Fokker – H.Brandhof; 21. V.d. Berg – J.Ruizendaal; 22. V.d. Berg – Pauw; 23. Gerrit Bus; 24. Hein Bus; 25. Jan Bus; 26. Co v.d. Berg; 27. Jaap Sliphorst; 28. T. Klarenbeek; 29. Lamb. de Beer; 30. wed. L. Post; 31. Steef Bus (Keerweer); 32. Lammert Majoor Jacz.; 33. L. v.d. Kuil; 34. Kees Sliphordst – Dieben; 35. De Jager; 36. Ruier; 37. Van Gelderen; 38. Van Eijden; 39. Cor van Thienen; 40. Ruizendaal; 41. Jan van Eijden

Droogzolders en stoommachines

Hoe ging dit nu allemaal in zijn werk? Als het wasgoed was aangevoerd, werd dat eerst gekookt in een ketel die boven een enorm houtvuur was geplaatst. Daarna werd het gekookte goed in een kuip met een zwaar houtblok aangestampt en zo nodig geboend. De volgende stap was dat het wasgoed werd gespoeld in spoelhokken aan de waterkant, in de winter bepaald geen makkelijk of aangenaam karwei. Na het spoelen werd de was uitgewrongen en op het bleekveld uitgespreid. Door de werking van het gras en de in de lucht aanwezige ozon werd het wasgoed mooi wit.
Als het regende, en dat deed het ook toen al tamelijk vaak in ons land, was er dus een probleem. Toen het werk professioneler werd aangepakt, verrezen er daarom droogzolders met verticale luchtopeningen, lamellen genaamd, zodat de wind er doorheen kon waaien. Die werden meestal boven de nieuwe schuren geplaatst. Zo kon het werk ook bij slecht weer doorgaan. Desgewenst werd de was ook gestreken en gevouwen, uiteraard tegen extra betaling. 

Bij het koken, stampen, boenen en spoelen werd vanaf de tweede helft van de 19de eeuw in toenemende mate gebruik gemaakt van mechanische hulpmiddelen, in het bijzonder van stoommachines – vandaar al die schoorstenen in het grensgebied van Naarden en Bussum. Ook kwamen er nieuwe reinigingsmiddelen (vooral chloor en blauwsel) beschikbaar, die de was helder wit maakten, waardoor het bleken uiteindelijk overbodig werd.

 

Een ongezond beroep

Het blekersvak was ongezond en dat is goed te begrijpen. De aangevoerde was zat immers vol verontreiniging, ook in de vorm van bacteriën. Blekers en hun familieleden werden dan ook regelmatig getroffen door infectieziekten als cholera en tyfus. Als er in Amsterdam weer eens een epidemie uitbrak, moest op de zakken waarin de was werd aangevoerd vermeld worden welke ziekte er op dat moment heerste. Maar uiteindelijk kwam het vuile water van de blekerij toch weer in een sloot terecht, waaruit verderop weer drinkwater werd geput. De grote gezinnen in krappe behuizingen vormden dan een prima voedingsbodem voor besmetting.

     
 De Blekershoek gezien vanuit de lucht
 

 De gouden jaren

 De jaren na 1870 worden wel de gouden jaren van de Bussumse blekers genoemd. De aanvoer werd zo groot dat men zich niet meer kon permitteren met het drogen van het wasgoed te wachten tot het mooie weer. De droogzolders puilden dan ook uit van het wasgoed. Omstreeks 1890 waren er zo’n 25 blekerijen actief in Bussum. Al die blekerijen lagen aan de Bussummervaart en daarop uitkomende voormalige zanderijsloten. Het gebied aan de kop van de haven van Bussum werd ook wel de Blekershoek genoemd.

     
 
De Gooische Stoomwasscherij, net over de grens met Naarden,
omstreeks 1930

Bekende Bussumse blekers waren o.a. Van Gelderen, Schimmel, Ernst, Van Blaricum, Ruizendaal, Van Breemen, Bus, Van de Berg, Van Eijden, De Beer en Lammert Majoor.

 

Gebrek aan zeep

In 1900 waren er zelfs 42 blekerijen in Bussum, maar de gouden jaren waren toch voorbij. Aanvankelijk profiteerde de bedrijfstak nog van de komst van nieuwe welgestelde burgers naar de villawijk het Spiegel, maar die namen op den duur hun eigen wasmeisjes in dienst. Veel kleine blekerijen, die de overgang naar de stoommachine niet hadden kunnen maken, legden het loodje. Ook het gebrek aan zeep en andere grondstoffen tijdens de Eerste Wereldoorlog speelden hun parten. Uiteindelijk bleven er na 1920 nog maar enkele grote stoomwasserijen over; en gebleekt werd er al helemaal niet meer.

 

Bronnen

  • M.J.M. Heyne, Kent u ze nog, de Bussummers, Europese Bibliotheek, Zaltbommel 1974
  • Nol verhagen e. a., Bye Bye Bussum, Enter, Weesp 2015
  • A.J.N. Fabius, Geschiedenis van Bussum, Boekhandel Los, Bussum 1973
  • P. Schneiders, Buitengewoon Bussum, deel 1, Boekhandel Los, Bussum 2005
  • W.J. Rust en Simon Zwart, 150 jaar Bussum, Bussum 1967
  • J.V.M. Out, Kerckebosch, Die van Lage Bussum, Zeist 1976
  • Dr. J.F. Van Hengel, Het Gooiland, ’s Gravenhage 1875
  • Archief van de auteur

 

Bussums Historisch Tijdschrift, jaargang 36, nummer 3 (december 2020), pag 24-27

Hoe de heuvels rond Naarden en Bussum verdwenen

Eric Bor

Klik hier voor de PDF versie van dit artikel
De afbeeldingen zijn aanklikbaar voor vergroting

 

Omstreeks 1355 was Naarden voorzien van een aarden omwalling en een gracht. Bij de Stichtse Oorlog van 1481 bleek al dat deze niet voldoende waren om invallers uit het Sticht buiten de stad te houden. Na het Bloedbad van Naarden in 1572, waarbij de Spanjaarden in de stad die zich al had overgegeven 800 burgers, inclusief vrouwen en kinderen, vermoordden, de stad plunderden en in brand staken alsmede de stadsmuren afbraken, was het duidelijk dat Naarden een betere verdediging nodig had. Ook Amsterdam had hier baat bij, want Naarden lag op een relatief smalle droge strook land tussen het Naardermeer en de Zuiderzee, waardoor Naarden, indien sterk genoeg, in staat was belagers uit oostelijke richting weg te houden bij Amsterdam.

Men begon met de aanleg van vestingwallen met een diepe gracht eromheen. Daarvoor was veel zand nodig, dat werd afgegraven rond de vesting. De heuvels rond de stad maakten Naarden kwetsbaar. In 1651 onderzocht de stad Naarden de mogelijkheid een zandvaart naar Bussum te graven om de heuvels aan de Kerkweg (de tegenwoordige Lambertus Hortensiuslaan) te verwijderen.De beruchtste van die heuvels was de Galgeberg (de plek waar de galg stond). De Staten van Holland en West-Friesland gingen akkoord onder voorwaarde dat de stad voor twee bruggen en twee wegen langs de vaart zou zorgen. Het graafwerk begon in 1654

     
 
Zandwinning bij Nieuw Valkeveen. Illustratie Gemeentearchief Gooise Meren
en Huizen, Gooienvechthistorisch.nl

 

Franse inval

De afgraving had – gezien vanuit Naarden was veel zand nodig, dat werd afgegraven – de Galgeberg nog niet bereikt toen de Fransen in juni 1672 de vesting binnen vielen en innamen. De Franse commandant nam direct allerlei maatregelen om de vesting verder te versterken. Gelukkig hadden de Fransen weinig kanonnen in de vesting.

Met kanonbeschietingen vanaf de Galgeberg ten zuiden en vanaf de Zuiderzeekant ten noorden van de vesting slaagde prins Willem III er in 1673 in zijn manschappen via loopgraven aan de oostkant de vesting te laten naderen en bestormen, waarna de Fransen al spoedig capituleerden. Hiermee was het voor de Staten duidelijk, dat de vesting verder verbeterd moest worden, onder andere door het aantal stadspoorten terug te brengen tot twee. Bovendien moest het land eromheen worden afgegraven om een vrij schootsveld te krijgen. Men verwachtte dat het land ook onder water gezet zou kunnen worden.

 

Werkgelegenheid voor Bussum

In 1674 geboden de Staten dat al het hoge land tot op 300 roeden (ruim een kilometer) rond Naarden afgegraven moest worden. Ten behoeve van de afvoer van het zand bepaalden de Staten dat de Naarder- en Muidertrekvaart en de Zandvaart parallel aan de Kerkweg naar Bussum zo diep gehouden moesten worden, dat de zandschepen er ongehinderd door konden. Het zand werd naar Amsterdam voor verkoop afgevoerd om zo de kosten te dekken.
De afzanding kwam de werkgelegenheid van de Bussumers ten goede, want tot dan toe had Naarden, zich baserend op een octrooi van Karel V uit 1531, in Bussum alle ambachten verboden. Zelfs een eigen bakkerij mocht Bussum niet hebben. Alleen spinnen was toegestaan, want er moest ten behoeve van de florerende Naarder lakenindustrie (laken was een wollen stof) zoveel wol gesponnen worden, dat men aan de spinners in de vesting niet genoeg had.  uitoefenden

     
Verbod op zandwinning in het Gooi,
anders dan bij Naarden
 

 Ook de behoefte aan zandschippers was zo groot dat dit ambacht de Bussumers niet verboden kon worden. De eerste schout van Bussum, J.J. Thierens, schreef in 1820: ‘Eindelijk is hier nog eene tak van bestaan […] namelijk de zanderij of afzanding der hoge gronden tot het formeeren eener inundatie der vesting Naarden. Aan het werk van derzelve zijn alleen de getrouwe ingezetenen van Bussum en Naarden gerechtigd: deze verschaft aan 100 menschen uit beide plaatsen bij eene drukken scheepvaart werk.’

In 1795 waren er tien Bussumse zandschepen. Van verscheidene schippers zijn de namen bekend. Frans de Gooijer beschreef in het decembernummer van 2005 van het Bussums Historisch TijdschriftTijdschrift de vijf generaties van de familie Post die dit beroep

 

Leliepeil

Er ontstond langzaamaan een net van zanderijsloten, dat steeds verder werd uitgebreid naar het oosten (Valkeveen) en naar het zuiden (Bussum). In de zanderijen werd het zand met kruiwagens in de schepen gestort. De volle schepen boomde men door de lange ondiepe sloten naar de buitengracht van de vesting. Doordat in Nederland de westenwind overheerst, kon men meestal niet onder zeil via de Muidertrekvaart naar Amsterdam laveren. Doorgaans moest de schuit dus lopend op het jaagpad getrokken worden, waarbij trekker en roerganger elkaar nu en dan afwisselden.

Omdat er voor de afzanding aanvankelijk geen hoogte was afgesproken, kwamen er veel onregelmatigheden en zelfs misbruik voor. Nadat de Staten in 1723 de hoge gronden hadden aangekocht, gaven ze die slechts uit aan schippers die zich bij de afgraving wilden houden aan een door de Staten vastgesteld, algemeen peil: 17 Rijnlandse duimen (47 cm) boven het Naarder zomerpeil.Bij de hoofdgracht van de vesting werden bij beide stadspoorten peilschalen aangebracht waarop deze hoogte met een lelie gemarkeerd werd. De hoogte voor de afzanding heette voortaan het Leliepeil. De schippers mochten uitsluitend zand rondom Naarden halen, op straffe van verbeurd verklaring van hun schip.

      
 
Zandwinning op de Bussumer Eng, nu de Groene Long

 

Voortgang

De afzanding ging ondanks de primitieve middelen die ervoor werden aangewend best voorspoedig: in 1750 was men in zuidelijke richting gekomen tot waar nu de Brediusweg ligt. In oostelijke richting ontstond op den duur een minder regelmatig afzandingspatroon, onder meer omdat daar al villa’s waren gebouwd. De zwarte bovengrond werd meestal niet afgevoerd, maar teruggestort. Voor de Gooise meentgronden die voor afgraving bestemd waren, golden zelfs nauwkeurige voorschriften voor de terugstorting.

De afgezande grond bleek erg geschikt voor tuinbouwdoeleinden (hetgeen in de hand werd gewerkt door af en toe toch wat minder diep te graven dan het Leliepeil). In de tweede helft van de 18de eeuw vestigden zich de eerstehoveniers in het afgezande gebied. 

Omstreeks 1796 werd de Bussumse haven gegraven als verlengstuk van de Zandvaart. In 1850 was de afzanding gevorderd tot de Oud-Bussummerweg en daarna werd er nog gegraven tot aan de Huizerweg.

Vanaf 1920 werd het zand uit de zuidoosthoek van Bussum niet langer per schip vervoerd, maar ging het vanuit de zanderij van Oud Bussem per smalspoorttreintje over een speciaal aangelegd spoor naar nabije locaties die zand nodig hadden, zoals bijvoorbeeld de Vondellaan.

     
 De zanderijsloten rond Naarden, geprojecteerd op de huidige
plattegrond van Naarden en Bussum
 

 

Zanderij Crailoo

Toen de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij omstreeks 1870 de spoorlijn van Hilversum naar Amsterdam aanlegde, werd er heel wat zand rond zanderij Crailoo weg gegraven. Daar is onder meer de spoordijk door het Naardermeer mee aangelegd. Het grootste deel verdween echter naar het altijd om zand verlegen Amsterdam. De Erfgooiers organisatie Stad en Lande was eigenaar van het gebied en verdiende zo een flinke som geld.

De concessie van de spoorwegen bleef ook geldig toen het Goois Natuurreservaat in 1932 eigenaar werd van de grond. Tot 1970 werden er duizenden kubieke meters afgegraven. De afgezande terreinen zijn tegenwoordig in gebruik als sportvelden (de welbekende Sportvallei), als werkterrein van ProRail en als natuurgebied.

     
 
Voormalige zanderij Crailo, nu natuurgebied

Ze behoorden bij de zanderij Crailoo. Er zijn daar nooit zanderijsloten geweest, maar je vindt er wel de Zanderijweg. In 1926 werd de militaire functie van de vesting opgeheven en werden de afgezande gebieden vrijgegeven voor bebouwing: Naarden mocht eindelijk buiten de vesting gaan bouwen. In het niet-bebouwde gebied tussen Naarden en Bussum dat in gebruik is bij tuinderijen en boomkwekers, vind je nog zanderijsloten, zij het soms in behoorlijk vervallen staat. Het gebied is nooit onder water gezet.

Henk Schaftenaar heeft in 2010 in De Omroeper uiteengezet dat dat ook helemaal niet kon, omdat het feitelijke afzandingsniveau hoger lag dan de Zuiderzee, waar het water vandaan moest komen.

 

Bronnen

  • J.I. Kloosterhuis, Zandafgraving in het Gooi, 1955
  • Oneindig Noord-Holland, De zandafgravingen in het Gooi. www.onh.nl
  • Gemeentearchief Bussum: Brievenboek Thierens
  • J.V.M. Out, Die van Lage Bussum, Kerckebosch-Zeist 1976
  • A.C.J. de Vranckrijker, De historie van de vesting Naarden, Bussum 1973
  • H. Schaftenaar, ‘Schootsveld van Naarden nooit geïnundeerd’, in: De Omroeper, jaargang 23, nr. 2, 2010
  • Niek Engbers, Afzandingen in het Gooi, Wageningen 2017

 

 

Bussums Historisch Tijdschrift, jaargang 36, nummer 3 (december 2020), pag 28-31

Van Naarder Zandpad tot A1: de geschiedenis van de Rijksweg

Nol Verhagen

Klik hier voor de PDFversie van dit artikel
De afbeeldingen zijn aanklikbaar voor vergroting

 

      
 
De verkeerssituatie rond Naarden aan het eind van de 19de eeuw

Wij weten niet beter dan dat je met een snelheid van (tegenwoordig nog maar) 100 km per uur van Amsterdam naar Duitsland kunt zoeven over de A1. Je rijdt dan met een boog om Naarden en Bussum heen en zo door naar Amersfoort en verder. Het traject om Naarden heen wordt plaatselijk nog wel eens ‘om de Noord’ genoemd, hoewel de meeste inwoners van Naarden en Bussum waarschijnlijk al niet meer weten wat dat betekent. Op de grens van Bussum en Naarden en vervolgens op die van Bussum en Huizen, vanaf Jan Tabak tot aan het viaduct bij ziekenhuis Tergooi, loopt parallel aan de A1 een weg die de Amersfoortsestraatweg heet. Ten noorden van Naarden vind je de Amsterdamsestraatweg, die parallel loopt aan de Amsterdamse trekvaart. Inderdaad, die twee zijn de voorlopers van de A1. Maar het begon met die trekvaart.

 

Het Naarder Zandpad

In 1640 besloten de bestuurders van Amsterdam, Muiden en Naarden om een trekvaart aan te leggen tussen hun gemeenten. Een college van Commissarissen (vertegenwoordigers van debetrokken gemeenten en andere belanghebbenden) werd belast met de uitvoering van het werk. Naast de trekvaart werd een weg aangelegd die werd gefinancierd met geleend geld. Om de kosten van de lening en het onderhoud van de weg te dekken, werd er op diverse plaatsen, zowel op het water als op het land, tol geheven. Die tol is tot 1900 in stand gebleven.

De weg was in feite een met puin verhard zandlichaam, dat het Naarder Zandpad werd genoemd. Het probleem met de tolheffing was dat vrijwel iedereen die beroepshalve van het zandpad en de naastgelegen vaart gebruik moest maken, vrijstelling had, zodat de opbrengsten schamel te noemen waren. De bruikbaarheid van de weg was sterk afhankelijk van de weersomstandigheden: regen en dooi sloegen grote gaten in het wegdek.Het pad vergde dan ook voortdurend onderhoud. In de loop van de tijd nam het belang van de weg sterk toe: het was de belangrijkste verbinding van Amsterdam met het oosten van het land, te beginnen met Amersfoort. Al het niet-varende verkeer maakte er gebruik van en trok zo dwars door Naarden.

     
De verkeerssituatie rond Naarden heden ten dage.
Illustratie Janwillem van Aalst
 

 

Van Zandpad tot Straatweg

Aan het begin van de 19de eeuw, na de Franse tijd, werd verkeer en waterstaat een onderwerp van landelijk beleid en toezicht. De overheid wilde de kwaliteit van de hoofdverkeerswegen verbeteren, rijkelijk laat voor een handelsnatie als Nederland. Daartoe behoorde ook het Naarder Zandpad, dat zou moeten worden bestraat. De eigenaar van het pad, het eerder genoemde college van Commissarissen, had echter – gelet op de geringe opbrengst van de tolheffing – weinig trek om er in te investeren en schoof de kwestie op de lange baan. Het zou uiteindelijk tot 1840 duren eer het zover kwam. De staat had de weg inmiddels overgenomen en op 5 oktober van dat jaar werd de weg opengesteld voor alle verkeer: het Naarder Zandpad was de Amsterdamsestraatweg geworden.

 

     
 
Een vrachttransport van de Gooise tram steekt in 1955
de Rijksweg over bij de kruising met de Thierensweg.
Foto Gooienvechthistorsch.nl (zie rectificatie)

De Gooische Stoomtram

In 1881 werd langs hetzelfde traject de Gooische Stoomtram aangelegd, die pal naast de niet meer dan 3,70 m brede weg liep en die zoveel stof opwierp dat de weg voor ander verkeer soms nauwelijks te gebruiken was, vooral niet toen dat andere verkeer steeds vaker bestond uit fietsers en auto’s. Al dat verkeer moest zich bovendien door de vesting wringen: bij de Amsterdamsche Poort er in en bij de Utrechtsche Poort er weer uit. Of andersom, als je uit de richting van  Amersfoort kwam.

 

De Vesting Naarden

Toch duurde het nog tot 1917 voor de eersteplannen werden gemaakt voor een alternatieve route. En hoewel het tracé voor een nieuwe Rijksweg al in 1921 werd vastgesteld, werd de aanleg pas in 1928 ter hand genomen. Dat het zo lang duurde had alles te maken met de gecompliceerde situatie van Naarden als vestingstad, onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie.
Niet zo heel lang geleden, in 1874, was die positie nog eens bevestigd in de Vestingwet en was er ten zuiden van Naarden een aantal fortificaties bijgebouwd. Het betekende dat de militairen een dikke vinger in de pap hadden bij alles wat er in de wijde omtrek van de vesting aan bouwwerkzaamheden plaatsvond. De bekende Verboden Kringen, waarbinnen niet gebouwd mocht worden, sloten Naarden in feite helemaal in. En hoewel velen twijfelden aan het nut van de Vesting Naarden als militair bolwerk, werden er in de Eerste Wereldoorlog toch nog elementen aan toegevoegd, in de vorm van een ring van zeven schansen ten zuiden van Bussum en tussen Naarden en Huizen (zie ook het artikel van Hans Mous en Klaas Oosterom in BHT 32, nr. 2, december 2018).

     
Krantenknipsel uit 1920, waarin de
ANWB voorstelt de nieuwe Rijksweg
over de Bedekte Weg te leiden
 

Het plan van 1917

Terzelfdertijd was de landelijke overheid onder energieke leiding van minister ir. C.W. Lely druk doende om het wegenverkeersnet te moderniseren. In 1916 werd daarbij bepaald dat ook de route van Amsterdam naar Amersfoort aanzienlijk zou worden verbeterd. Er moest een rijbaan komen van wel 7 m breed, met daarnaast een fietspad van 3 m en een voetpad van 2 m. De weg zou niet langer door de vestingen Muiden en Naarden lopen, maar daaromheen worden geleid. In het plan van Rijkswaterstaat uit 1917 zou de nieuwe weg niet langer langs de Naarder Trekvaart lopen, want daar was al te veel bebouwing, maar ongeveer 150 m ten zuiden daarvan. Bij Naarden zou de weg over, of liever gezegd, door de bastions Nieuw-Molen en Turfpoort worden geleid, om vervolgens aan te sluiten op de bestaande Amersfoortsestraatweg. De weg zou op die manier niet alleen een bres slaan in de vesting zelf, maar ook nog dwars door de Verboden Kringen ten westen en ten zuiden van Naarden lopen.

Het ministerie van Oorlog had er weinig oren naar. Inmiddels was de oorlog afgelopen en waren ook de ambities van het ministerie van Waterstaat aanzienlijk bekoeld. Niettemin liet de commandant van de Nieuwe Hollandse Waterlinie weten dat hij zich in het geheel niet in het plan kon vinden. Ook een alternatieve route, waarbij de nieuwe weg buiten de vesting om geleid zou worden, kon geen genade vinden in de ogen van de militairen:het daarin opgenomen viaduct over de tramweg ten zuidoosten van Naarden zou veel te hoog komen te liggen en het schootsveld belemmeren.

  

Een nieuw plan

Een tweede plan van Rijkswaterstaat plaatste de weg verder van de vesting, over een tracé dat uiteindelijk ook gerealiseerd zou worden en dat de weg langs de Galgesteeg (nu de Godelindeweg) leidde. Maar de militairen bleven ontevreden. De legertop en het ministerie van Oorlog konden het niet eens worden over de aanleg van verdedigingswerken en de hoogte van de bunkers.
Bovendien waren er plannen voor de aanleg van enkele sneltramwegen dwars door Goois natuurgebied. Die plannen werden door een volksopstand verijdeld. De problemen met de militairen werden in 1926 in een klap opgelost doordat de Vesting Naarden uit de Nieuwe Hollandse Waterlinie werd geschrapt – de vesting werd als militair bolwerk domweg opgeheven. En ten slotte kregen de Gooise gemeenten ook meer haast, want de verkeersdruk nam alleen maar toe en zou nog veel verder oplopen,nu er eindelijk weer gebouwd kon worden. Ondanks de nog steeds van kracht zijnde Vestingwet, waren de eerste huizen al in 1922 gebouwd langs de Godelindeweg: de houten Dudokvilla’s die daar nog steeds te vinden zijn. Er waren nog wat achterhoedegevechten tussen Naarden en Bussum over de hoogte van de brug over de Bussummervaart, maar in 1928 werd dan toch met de aanleg begonnen, en in de zomer van 1930 was het werk klaar.

 

     
 
Uiterst rechts de splitsing van de Amersfoortsestraatweg en
de nieuwe Rijksweg. Duidelijk te herkennen zijn het
Brediuskwartier en het Rembrandtkwartier met het Meertje
van Vlek. Foto Gooienvechthistorisch.

Van Rijksweg tot A1

Hoewel de nieuwe weg twee keer zo breed was als de oude, werd het verkeersprobleem er niet mee opgelost. Het gebruik van auto’s en bussen nam hand over hand toe en in 1939 werd de tramlijn langs de weg dan ook opgeofferd om het autoverkeer meer ruimte te geven.
In de jaren vijftig moest de weg verdubbeld worden.

In 1972 werd de Rijksweg opnieuw omgeleid, nu langs de oost- en noordzijde van Naarden, waar we hem na diverse verbredingen nog steeds aantreffen. De oude Rijksweg kon deels worden ontmanteld en werd de tweebaansweg, die er nu nog ligt en die voornamelijk dienst doet als op- en afrit voor de A1.

 

Bronnen

  • Het eerste deel van dit artikel is gebaseerd op het artikel van:Henk Schaftenaar, ‘Van Zandpad naar Rijksstraatweg. Een terugblik op de wagenweg van Naarden naar Amsterdam’, in: De Omroeper, jaargang 28, nr. 3, 2015
  • Voor het tweede deel is geput uit het artikel, van de hand van:dr. J.S. van Wieringen, ‘Verkeer en de Vesting: van vrienden tot vijanden’, in: De Omroeper, jaargang 11, nr. 2, 1998

 

 

Bussums Historisch Tijdschrift, jaargang 36, nummer 3 (december 2020), pag 32-33

Torenflat Naerdinclant

Nol Verhagen

      
 
Torenflat Naerdinclant bij de oplevering in 1964.
Foto Streekarchief Gooi en vechtstreek,
Gooienvechthistorisch.nl

Klik hier voor de PDFversie van dit artikel
De afbeeldingen zijn aanklikbaar voor vergroting

In april 1955 vergaderde de gemeenteraad van Naarden over het uitbreidingsplan voor het laatste stukje nog braakliggend terrein ten zuidwesten van Naarden, ingeklemd tussen de Rijksweg, Karnemelksloot, de Suikersloot en de Koningin Wilhelminalaan.

 

Vierhoven

Vierhoven moest de nieuwe wijk gaan heten, naar het ontwerp dat was gemaakt onder leiding van stedenbouwkundige prof. Wieger Bruin. Punt van discussie was of hoogbouw moest worden toegestaan. Het plan voorzag namelijk in enkele flatgebouwen, waaronder een flat van maar liefst 9 of 10 verdiepingen. Burgemeester Visser noemde dit ‘hoogbouw op bescheiden schaal’, en bovendien in maagdelijk terrein. Een verrijking van het silhouet van de gemeente, meende hij. Heel anders dus dan elders in het Gooi waar hoogbouw was toegestaan in villaparken. De torenflat zou echt iets bijzonders worden, met een dakterras vanwaar je een uniek uitzicht had over het Naardermeer, het IJsselmeer en het Gooi. Dat je dan vanaf al die plekken ook uitzicht had op de torenflat, moest daarbij maar voor lief worden genomen.

     
De Torenflat met rechts het Oranje-Nassaupark en links Vierhoven
Foto C. de Gooier, Gemeentearchief Gooise meren en Huizen,
Gooienvechthistorisch.nl
 

Entree van het Gooi

De gemeenteraad was verdeeld, maar de tegenstanders, de VVD-fractie en een lid van de PvdA-fractie verloren de stemming. En zo gebeurde het dat in een gebied waar tot dan toe alleen kerktorens boven de bomen en de huizen uitstaken, een 44 m hoog flatgebouw zou verrijzen. De entree van het Gooi zou niet langer worden gemarkeerd door de Grote Kerk van Naarden, maar door een flat aan de Graaf Willem den Oudelaan.

 

Twintig weken wachten op glas

In september 1962 volgde goedkeuring van het Rijk en kon met de bouw worden begonnen. Het eerlijk gezegd best fraaie ontwerp was van het Rotterdamse architectenbureau Maaskant. Uiteindelijk werd het gebouw bijna 42 m hoog en bevatte het 11 verdiepingen met ieder 4 woningen. De bouw ondervond nog wel enige tegenslag, want er was schaarste aan bouwmaterialen. Zo moest er 20 weken worden gewacht op glas. Bovendien was de stroomvoorziening voor de kraan ontoereikend doordat er geen hoogspanningsstation beschikbaar was. Maar in het eerste kwartaal van 1964 was het werk dan toch klaar en kon de verkoop beginnen.

Tegenvallende verkoop

De belangstelling voor de nieuwe woningen was groot, maar toch viel de verkoop nogal tegen. In juli 1965 waren nog maar 17 flats verkocht. De prijs varieerde afhankelijk van de grootte van de woning van f 65.000,- tot f 75.000,-, nu € 175.000,- tot € 200.000,-. Dat was toen veel geld en de rente was met 6,5% ook nog eens aan de hoge kant. De huizenmarkt was moeilijk, zodat aspirant-kopers ook niet makkelijk van hun oude huis af kwamen. Makelaar Koudijs besloot de leegstaande flats te huur aan te bieden.

 

Een nationale misdaad

De leegstand en de hoge prijzen waren een doorn in het oog van actiecomité Woningnood, dat het niet minder dan ‘een nationale misdaad’ noemde en een spandoek aan het gebouw bevestigde. Uiteindelijk raakten de flats toch bewoond. Momenteel worden ze zowel te koop als te huur aangeboden. De koopprijs bedraagt ongeveer € 230.000,- voor een woning van 78 m2; eenzelfde woning wordt verhuurd voor € 1375,- per maand.

 

Bronnen

 

Bussums Historisch Tijdschrift, jaargang 36, nummer 3 (december 2020), pag 34-36

Schrijvers die op het Willem zaten

Eric Bor

Klik hier voor de PDFversie van dit artikel
De afbeeldingen zijn aanklikbaar voor vergroting

Onder de duizenden leerlingen die in de loop van de afgelopen 100 jaar op het Willem de Zwijger College hebben gezeten, is – tot tevredenheid van hun leraren Nederlands – een aantal als schrijver bekend geworden. Hieronder aandacht voor enkelen van hen.

 

Paul Biegel (1925-2006)

Frederik van Eeden schreef in zijn dagboek op 4-12-1922 over het gezin Biegel: ‘Een gelukkig gezin. Acht kinderen, allen gezond en mooi. Innige liefde onder elkaaren vrede […] Een van de weinige katholieke gezinnen met hoge beschaving in Bussum.’ En op 14-3- 1923: ‘Ik was bij mevrouw Biegel-Povel, in het gelukkige roomse gezin. Een echt lieve vrouw. Ze klaagde over de scheidsmuur tussen rooms en niet-rooms. En toch voelde ze de noodzaak, met het oog op de gevaren van gemengde huwelijken.’

Paul was het negende en laatste kind. Zijn grootvader was de bouwmagnaat Joseph Biegel, naar wie de Kom van Biegel is vernoemd. De katholieke Paul ging naar het Christelijk Lyceum, het latere Willem de Zwijger College. Hij beschreef in zijn debuutverhaal* hoe hij tijdens de oorlog als negentienjarige zesdeklasser vermomd als vrouw op bezoek ging bij een ondergedoken vriend om samen muziek te maken: ‘Mijn gezicht moet verbleekt zijn onder de rouge, telkens wanneer we langs Duitsche soldaten kwamen, en mijn hoofddoek gleed een keer bijna af, maar toch was ik in staat de vreemde gewaarwording te realiseren dat niemand je nakijkt, ofschoon je je heel mal uitgedost voelt. We bereikten behouden het doel, en het gezicht van mijn vriend was onbetaalbaar. Ik wreef mijn rouge af, hij stemde de cello, en al spelend vergaten we de buitenwereld en hadden alleen nog maar aandacht voor de moeilijkheden in de sonate. Maar midden in de hoogere sferen van het adagio stuift de dochter des huizes binnen: “Jongens, moffen!” Weg Beethoven, weg cello, naar de schuilplaats op zolder. Een heerenhoed verdwijnt achter in de kast, scheergerei is altijd al verstopt. We klimmen in een gat in de vliering, luik dicht, klem erop, en daar zitten we, in een aardedonker hok, waar ik nooit eerder in ben geweest.’

Later werd Biegel bekend als kinderboekenschrijver. Zijn werk leverde hem onder meer twee Gouden Griffels en vier Zilveren Griffels op. Hij overleed in 2006.

*Paul Biegel, ‘Mannen van “Gevaarlijken Leeftijd” Avontuurlijke Herinnering aan 1944’, in: The Knickerbocker Weekly, 2-9-1946

 

Rudolf Geel (1941)

Toen Rudolf Geel in de vierde klas zat, schreef hij in de schoolkrant Climax, behalve stukjes over jazz, bijzonder experimenteel proza, geïnspireerd op Het boek ik (1951) van Bert Schierbeek. Hij leverde dergelijk proza ook in als opstel, maar zijn lerares Nederlands kon dat niet waarderen: hij kreeg er steevast een onvoldoende voor. Toen in zijn verhaal in de Climax op een keer een gedachte aan schaars geklede jongedames voorkwam, werd hij terstond uit de redactie gezet.

Nadat hij voor zijn examen geslaagd was, ging hij Nederlands studeren en schreef hij zijn frustraties van zich af in de autobiografische sleutelroman De weerspannige naaktschrijver (1965), waarvan het middelste deel zich afspeelt op het ‘Vader des Vaderlands College’. Rudolf werd wetenschappelijk medewerker aan de Universiteit van Amsterdam, was van 1968 tot 1982 redacteur van De Gids en schreef behalve zijn wetenschappelijk werk talrijke romans en verhalenbundels.

Geel maakt zich regelmatig boos over de achteloze wijze waarop met het Bussums erfgoed wordt omgegaan.* Zo schreef hij in 1990: ‘Stoeten burgemeesters, wethouders, gemeenteraadsleden en pressiegroepen hebben Bussum veranderd in een onpersoonlijk randstedelijk woongebied. De hei is niet veel groter meer dan het perk waarin men zijn honden uitlaat en graafmachines hebben de laatste vogelbroedgebieden bouwrijp en dus levenloos gemaakt. Vrolijk is het allang niet meer in Bussum. Komende generaties zullen het ons aanrekenen dat wij ons niet tegen de verloedering hebben verdedigd, dat wij het hebben toegelaten toen het Spieghel werd ontsierd met afzichtelijke flatgebouwen, fantasieloze scholen, detonerende bungalows. Zij zullen ons erom nawijzen dat wij geen visie hebben getoond.’

 *Rudolf Geel, ‘De Gooise uitdragerij’, in: Annetje Schölvinck-Stork, Geletterd Bussum, Naarden 1990

 

Frans Willem Verbaas

Toen Frans Willem Verbaas op het Willem de Zwijger College zat, woonde hij in Almere-Haven. Na het behalen van zijn eindexamen in 1980 ging hij theologie studeren. In 1982 debuteerde hij in het blad Plug (uitgave van de Stichting Cultureel Jongeren Paspoort) met het verhaal ‘Over de realiteit in de wereld’. De locatie van het verhaal is heel herkenbaar: ‘Met een zinloos gevoel keek ik rond, over het stationsplein, dat in de vier jaar dat ik hier al op de bus wachtte niets was veranderd; het station, de bomen, de bushaltes, de aan het plein grenzende villa’s, die als kantoren werden gebruikt, de sigarenzaak, de damesmodezaak en de snackbar. Alles al vier jaar hetzelfde. Op de snackbar bleven mijn ogen rusten […] Nergens had ik ooit zo’n echte snackbar gezien als aan het stationsplein te Bussum.’

Daarna hoorden we heel langs niets van Frans. Hij werd predikant en schreef artikelen in het Friesch Dagblad en Hervormd Nederland. In 2005 won hij de verhalenwedstrijd van het Nederlands Dagblad en in 2006 volgde zijn eerste roman: Sneeuw in Afrika. Sindsdien verschenen verscheidene romans.

 

Liz Ditters (1967)

Op het Willem de Zwijger College was tekenen het favoriete vak van Liz Ditters. Het verbaasde dan ook niemand dat zij ging studeren aan de Academie voor Beeldende Vorming in Tilburg. Daarna maakte ze onder andere illustraties voor agenda’s en kalenders.

In 2012 verscheen een fraai door haar zelf geïllustreerd boekje voor peuters: Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet. Nu verschijnen er regelmatig gedichten van haar in het tijdschrift Dichter (gedichten voor kinderen van 6 tot 106, Uitgeverij Plint). Voor het themanummer Vriendschap (kinderboekenweek 2018) schreef ze het gedicht ‘Sorry’, dat ook als Plintposter is verschenen. Het gedicht op blz. 35 is een hommage aan de favoriete schrijver uit haar jeugd, Paul Biegel. Het is speciaal voor deze gelegenheid geschreven.

 

Floortje Peneder (1977)

Op twaalfjarige leeftijd kreeg de net op het Willem de Zwijger College ingeschreven Floortje Peneder leukemie. ‘Zondag 13 augustus 1989. Het is nu 5 uur ’s nachts, maar ik wil wel even vertellen wat ik heb. Ik heb dus te weinig rode bloedcellen en te weinig bloedplaatjes en te veel verkeerde witte bloedcellen. Dat alles bij elkaar heet leukemie.’

Tussen verschillende behandelingen in het ziekenhuis leek de ziekte steeds even weg en ging zij naar school, maar de ziekte won uiteindelijk. Op 2 maart 1993 overleed Floortje. De laatste woorden in haar dagboek schreef zij drie dagen eerder. Het is een testament:
‘Al mijn spulletjes gaan naar Geertje [haar zus E.B.]. Flapoor gaat naar mijn ouders. Mijn grootste wens is dat mijn gedichten worden uitgegeven. Opdat mensen het misschien wat beter begrijpen.’ 

Floortjes ouders hebben haar wens vervuld. Haar gedichten staan tussen fragmenten van haar dagboek in het boek Het dagboek van Floortje Peneder, dat precies een jaar na haar dood verscheen. Het boek, dat naderhand ook in het Duits en in het Turks uitkwam, is door zeer velen gelezen.

 

Philip Huff (1984)

Philip Huff studeerde na het doorlopen van het Willem de Zwijger College filosofie en geschiedenis in Amsterdam en Berlijn. Hij publiceerde verhalen en essays in het Nederlands en in het Engels in tal van binnen- en buitenlandse tijdschriften.

Zijn debuutroman Dagen van gras verscheen in 2009. De hoofdpersoon is een jongen van achttien die probeert grip op zijn leven te krijgen, maar verslaafd raakt aan wiet en paddo’s. Beschrijving van een paddotrip: ‘Je voelt de behoefte je ervaring over te brengen. Dus begin je te praten. Je zegt: “Abrikoos”, en je houdt een kleine schelp omhoog. Je spreekt over de kleur van die schelp; een schelp die eerst dof was maar nu is opgelicht tot een glimmende, gloeiende abrikoos. Ook de textuur is veranderd: de kalk is een wollige stof vol pluisjes geworden. Woldraden die gloeien.’
Muziek speelt een grote rol in het boek, bijvoorbeeld als ‘While my guitar gently weeps’ opklinkt: ‘Met z’n drieën golven we mee met de Beatles: mijn vader, Tom en ik. We zijn een ei, een gouden ei, een ei zoals het ei van mijn grootvader, en we glijden door de ruimte. We zijn muziek, we zijn maat en melodie, we zijn de trillingen die van de snaren van Clapton afkomen. We zijn de stem van George Harrison. We zijn samen in het geluid. We zijn een.’

Na dit debuut schreef Huff nog vier boeken. Hij schreef daarnaast verscheidene filmscenario’s, ook voor de korte film ‘Bosrandgeluk’ (2020), die hij zelf regisseerde. Hij woont afwisselend in New York en Amsterdam.

 

Bronnen

 

Actueel

Herdenkingssteen Toonkunst weer te zien.

Onze vereniging heeft allerlei bijzondere voorwerpen in bezit, ook heel zware gevallen zoals (gevel)stenen. Een mooie bestemming voor zulke geschenken is moeilijk te vinden, maar af en toe is het raak. De herdenkingssteen '75 jaar Toonkunst Bussum' heeft eindelijk een goede plek gekregen in het gerenoveerde Bensdorp-complex, vlakbij het restant van de oude fabrieksschoorsteen aan de Nieuwe Spiegelstraat. De steen heeft ooit gehangen in de oude muziekschool aan de 's Gravelandseweg.

Lees meer...

Actueel

Herdenking Burgermoord Naarden

Op 1 december 1572 werd Naarden ingenomen door het regeringsleger onder leiding van de Spaanse kapitein Julian Romero. Op donderdagavond 1 december 2022 – precies 450 jaar later – worden de gebeurtenissen herdacht in de Grote Kerk van Naarden. Drie bekende historici laten hun licht schijnen over de gebeurtenissen op 1 december 1572.  Lees hier meer over de herdenking: Herdenking Naardense burgermoord | 1572 Geboorte van Nederland.Je kunt je hier aanmelden: Evenementenkalender - Geboorte van Nederland 1572 (gooisemeren.nl).

Foto van de maand

December 2022

Op deze plek aan de Nwe ’s-Gravelandseweg 38 stond de villa Nieuwburg. Hierin werd op 24 april 1920 de lyceumafdeling gevestigd van de Luitgardeschool, een kostschool voor meisjes. In 1923 werden ook jongens toegelaten en ging de school het (Christelijk) Lyceum heetten. In 1925 en 1934 werd de villa uitgebreid met flinke aanbouwen. In 1955 werd de villa gesloopt, het hoofdgebouw gedeeltelijk vernieuwd en aanmerkelijk vergroot. De naam werd nu gewijzigd in Willem de Zwijger College. Het gebouw staat nu op de nominatie om gesloopt te worden en de school zal als Montessori Lyceum worden gevestigd in een nog te bouwen  schoolgebouw aan de Franse Kampweg.

HKB Nieuws

Jumbo-album nu online

Het Jumbo-geschiedenisalbum dat in januari dit jaar werd gepresenteerd staat met toestemming van de supermarkt nu op onze website. Het album beslaat tweehonderd jaar Bussumse geschiedenis geïllustreerd met 176 plaatjes. Met het oog op de grote belangstelling is een keer een ruilbeurs van plakplaatjes geweest in het Bussumse Jumbo-filiaal, en er was onlangs nog tijdens de Open Dag van onze vereniging gelegenheid om missende plaatjes te zoeken. Voor wie het album uiteindelijk toch niet vol heeft weten te plakken is dit goed nieuws. Het staat nu online en kan worden gedownload en desgewenst geprint. Ja heus, alle plaatjes staan er in ! Het boekwerkje is samengesteld door medewerkers van de Historische Kring Bussum. Zij stellen het bijzonder op prijs dat hun werk nu digitaal kan worden gepresenteerd. Klik HIER om het album te bekijken.

We hebben 48 gasten en geen leden online