Home
Open Menu
Bussums Historisch Tijdschrift, jaargang 36, nummer 2 (september 2020), pag 15-19

De Broeders van Maastricht in Bussum

Nico Guns en Jos van Eijden

Klik hier voor de PDF versie van dit artikel
De afbeeldingen zijn aanklikbaar voor vergroting

 

In de Gooise gemeente Bussum staat al sinds 1911 een kloostergebouw van de congregatie van de Broeders van de Onbevlekte Ontvangenis van de H. Maagd Maria, ook bekend onder hun Latijnse naam Congregatio Fratrum Immaculatae Conceptionis Beatae Mariae Virginis, ofwel kortweg FIC. Binnenkort is dat dus 110 jaar geleden. In Bussum zijn er nog maar weinig mensen die weten dat in het imposante pand aan de Vitusstraat ooit de Broeders van Maastricht woonden. Toch hebben de broeders in Bussum ook nu nog herkenbare sporen nagelaten. Dit artikel schetst hoe hun aanwezigheid begon en eindigde.

 

Een blijde tijding

In 1907 richtte het bestuur van de St.-Vitusparochie, toen nog de enige parochie in Bussum, een verzoek tot het hoofdbestuur van de congregatie in Maastricht om in de zich sterk uitbreidende gemeente de leiding op zich te nemen van het rooms-katholiek onderwijs aan jongens. Het rooms-katholiek onderwijs aan Bussumse meisjes was in die tijd toevertrouwd aan de congregatie van de Zusters van Onze Lieve Vrouw van Amersfoort. Zij waren gehuisvest in Mariënburg aan de Brinklaan, een meisjespensio naat (kostschool) annex klooster. Vanaf 1902/1903 verzorgden de zusters ook het onderwijs aan Bussumse meisjes, in de Mariaschool en de Henricusschool, gelegen in de Mariastraat vlakbij de St.-Vituskerk. Het congregatiebestuur in Maastricht nam een voor de parochie en pastoor Meuleman verblijdende beslissing: hij zou enige broeders voor zijn school krijgen. Die zouden met het op 1 mei (!) 1908 startende nieuwe schooljaar hun onderwijs in Bussum beginnen.

 

       
 
Het eerste onderkomen van de broeders in 1908

Het ‘zwarte gevaar’

Aangezien de eerste broeders pas op 28 april 1908 arriveerden, was hun dus amper oriëntatie- en voorbereidingstijd gegund. Onder begeleiding van congregatie- overste broeder Ildefonsus Stans stapten zij op station Naarden-Bussum verwachtingsvol uit de trein, waar vervolgens niemand – ook niet van het kerkbestuur – hen stond op te wachten. Tijdens hun wandeling naar het centrum werden zij wel honend nageroepen:
‘Kaik, daar heb je nou het zwarte gevaar!’
Ja, ook in het van oudsher katholieke dorp Busssum woonden destijds papenhaters. Het gezelschap schreed onder veel bekijks naar de Kapelstraat, waar voor hen op nummer 5 een huis was gehuurd. Broeder-overste reisde nog dezelfde dag door naar Amsterdam. Toen was de kleine communiteit op zichzelf aangewezen: klooster-overste broeder Eustatius Van Eijck, broeder Hilarius Cappers, broeder Simon van Kessel, broeder Hyacinthus Oliemans en broeder Evodius Raaymakers.

De eerste dagen

Hun eerste werk was de slaapgelegenheid in orde maken, waarna zij een goede nachtrust genoten. Er waren in het nieuwe huis weliswaar al verschillende zaken aanwezig, maar alles moest nog worden geordend. Op 30 april werden tevens drie schoollokalen in orde gebracht in het overigens nog in aanbouw zijnde schoolgebouw aan de St.-Vitusstraat op het terrein van de kerk. De volgende dag, 1 mei, vond het aannemen van nieuwe leerlingen plaats. Er werden niet minder dan 110 leerlingen ingeschreven, een bewijs dat er in Bussum grote behoefte bestond aan een rooms-katholieke jongensschool.

Lang verbleven de broeders niet in het eerste huis in de Kapelstraat, want het bleek zeer ongeschikt te zijn. Al na een jaar verhuisden zij naar een pand aan de deftige Brinklaan op nummer 148, dat het kerkbestuur in orde had gemaakt, dit keer wel rekening houdend met de wensen van de broeders.

 

Toch van harte welkom

Op 4 mei 1908 werd de naar de heilige Willibrordus vernoemde school plechtig ingewijd. Duidelijker dan bij hun aankomst bleek toen dat de broeders wel degelijk welkom waren: behalve het kerkbestuur waren ook de burgemeester en wethouders, de gemeentesecretaris en enkele leden van de gemeenteraad aanwezig, alsmede enkele hoofden van openbare scholen en de schoolopziener dr. Gunning. De school mocht zich in een zodanige toeloop van leerlingen verheugen, dat de klooster-communiteit al het volgende jaar met twee broeders moest worden uitgebreid, namelijk broeder Siardus Beukers en broeder Bernardinus Rooswinkel. Het schoolgebouw waarvan nog maar een gedeelte klaar was, moest in dat jaar verder worden afgebouwd. Bij het begin van het nieuwe schooljaar in 1909 telde de school al 225 leerlingen.

 

         
 
Inzegening van Klooster St. Jozef, Vitusstraat 4 in Bussum,
ingezegend op 28 augustus 1911
 

Geen centrale verwarming

Op 20 november 1910 gaf het kerkbestuur aan architect G. J. Vos uit Bussum de opdracht een ontwerp te maken voor een ‘echt’ broederhuis aan de St.-Vitusstraat nabij het in aanbouw zijnde schoolgebouw, eveneens op het terrein van de kerk. In het ontwerp was de aanleg van centrale verwarming opgenomen. Het congregatiebestuur in Maastricht ging met alles akkoord, maar toen de plannen terugkwamen van de bisschop bleek dat de centrale verwarming uit het bestek was geschrapt. Monseigneur verklaarde zich daar principieel tegen. Blijkbaar was hij zelf ook niet anders gewend dan in een ongerieflijk steenkoud bisschoppelijk paleis te wonen.
Op 11 januari 1911 werd aan de laagste inschrijvers, de aannemers Mosterman en Van Nes uit Amersfoort, de bouwopdracht gegund voor de som van f 53.600.-. Op 30 maart legde pastoor Meuleman plechtig de eerste steen. Zeven en een halve maand later (kom daar tegenwoordig nog eens om!), op 26 augustus 1911, deden de broeders hun intrede in hun nieuwe tehuis.

Een onbegrijpelijke fout van architect en aannemer was dat zij aanvankelijk de slaapzaal waren vergeten, wellicht vanuit de veronderstelling dat de broeders dag en nacht werkten in de wijngaard des Heren. Tijdens de bouw moest dat alsnog worden goedgemaakt, hetgeen de kosten onaangenaam hoger maakte. Maar zelfs voor die meerprijs werd een schandalig slechte bouw prestatie geleverd: jarenlang sliepen de broeders op een zaal waar bij regen en dooiweer het water naar binnen stroomde! Na enige tijd moesten zelfs aan de binnen kant van de slaapzaal goten worden gemaakt om de afvoer van het hemelwater te regelen. Die onhoudbare toestand duurde voort tot er ten langen leste voor de broeders kamertjes werden gemaakt. 

       
Inzegening van de Willibrordusschool en de Vitusschool in 1911
 

De plechtige inwijding

Het nieuwe klooster, dat vernoemd werd naar St. Jozef, kreeg zijn sacrale wijding op 28 augustus 1911.
De dag begon met een plechtige hoogmis in de St.-Vituskerk, opgedragen door pastoor Meuleman. Na de mis zegende deze eerst de nieuwe klaslokalen van het schoolgebouw en daarna het broederhuis.

Er was veel belangstelling, zowel van geestelijken en broeders als van autoriteiten en inwoners van Bussum. De speciaal voor deze gelegenheid door broeder Landelinus van Gool getekende en gecalligrafeerde oorkonde kreeg een ereplaats in de vestibule van het nieuwe huis, waar hij altijd heeft gehangen. De Willibrordusschool kreeg net als bij de meisjesscholen was gebeurd, een tegenhanger: de Vitusschool – de ene was voor kinderen ‘met schoenen’, de andere voor de kinderen ‘op klompen’.

      
 
Het Broederhuis in 1920

Zo zetten de broeders dus vanuit het klooster hun onderwijs- en opvoedingstaken voort, die zij ruim vijftig jaar zouden volhouden. Gaandeweg groeide hun aantal tot achttien. Er gebeurde in die decennia bijzonder veel, waarover in het nog te verschijnen boek van Guns & Van Eijden uitgebreid verslag zal worden gedaan.

        
Achterop deze foto schreef broeder Gustavo eind augustus 1960:
‘Aan Nico Guns, als herinnering van mijn mooie S.D.O.-jaren.’
Hij maakte deze foto op Sportpark-Zuid tijdens een voetbalwedstrijd
van het eerste seniorenelftal, die aandachtig vanaf het  gras aan de
zijkant werd gevolgd door v.l.n.r. Willy Vrakking, Toinie Post, Tonny
van Noord, Nikie Guns en Jopie Haverkorte
 

Het afscheid

Wij nemen een grote sprong naar 1960, toen de broeders afscheid van Bussum moesten nemen. Het vernieuwde beleid van de congregatie bracht met zich mee dat er broeders moesten worden vrijgemaakt voor missioneringstaken in ontwikkelingslanden. Men vertrouwde erop dat Bussum het wat het onderwijs betrof inmiddels zelf wel aankon.

Hoe diep de broedergemeenschap verweven was geraakt met het wel en wee van de Bussumse dorpswereld, bleek bij het afscheid in de zomer van 1960. Niemand in Bussum dorst toen nog van ‘het zwarte gevaar’ te spreken. Leden van alle gezindten hadden tal van feestelijkheden op touw gezet. Zo was er op zondagmiddag 24 juli een receptie waarvan elke minuut werd uitgebuit door honderden mensen die de broeders hartelijk en ontroerd vaarwel kwamen zeggen.
Een kroniekschrijver merkte op: ‘Er waren zelfs protestanten bij.’ ’s Avonds om acht uur haalde het jeugdmuziekgezelschap van ViJos de broeders van huis mét vlaggen, ‘maar zónder instrumenten’, want in Bussum was toentertijd op zondag nog elk openbaar stukje muziek taboe. ViJos was het in 1957 door de broeders opgerichte jeugdmuziekgezelschap van jongens (en later ook meisjes) van de Vitus- en de Jozefschool (en verkeert anno 2020 in volle bloei). Bij de kerk schreden de broeders, verwelkomd door bruidjes, misdienaars en geestelijkheid, de rijk versierde en stampvolle St.-Vituskerk binnen. De kroniekschrijver constateerde: ‘Het hele bestuur van het protestantse tamboer- en pijperkorps Prins Maurits was aanwezig!’ Onder luid orgelspel wees men de broeders een plaats op het priesterkoor. 

De pastoor sprak tijdens het lof over tevreden aanvaarden van het vertrek der broeders, omdat de missie hen nodig had, en over dankbaar gedenken van alles wat de broeders in Bussum in die 52 jaren hadden gedaan. Uiteraard memoreerde hij het goede onderwijs, maar daarnaast ook de hulp aan noodlijdenden, het werk in het woonwagenkamp, het vormingswerk voor de jeugd, en – buiten schoolverband – hun inspanningen voor de Instuif, voor tafeltennisvereniging Good Luck, de oprichting van SDO (de rooms-katholieke sportvereniging Samenspel Doet Overwinnen) en het al genoemde ViJos, alsmede de kostbare hulp bij parochiële hoogtijdagen: eerste en plechtige communie, H. Hartfeest, Kerstmis en Pasen, enzovoort. Namens de dankbare ouders overhandigde de pastoor aan elk der achttien broeders een tweedelig brevier. Na afloop van de plechtigheid gingen de broeders naar de pastorie, waar het kerkbestuur de broeders een afscheidsavond aanbood.

       
 
Bij het afscheid van de broeders op maandagavond 25 juli 1960: onder
aanvoering van tambour-maître Josje van der Linden (kleinzoon van
de koster van de St.-Vituskerk) trekt ViJos langs het erepodium.

Een indrukwekkende hulde

De volgende dag, maandag 25 juli, werden de broeders ’s avonds om half acht afgehaald door de voorzitter van het actiecomité. Op het schoolplein was voor hen een tribune opgericht. Alles was versierd met verlichting en vele honderden mensen stonden op en langs de speelplaats opgesteld. Het werd een indrukwekkende hulde. ViJos opende het défilé. Achter hen aan kwamen de Vitusscholen, de harmonieën St.-Jozef en Crescendo met de St.-Jozefschool, daarna het tamboer- en pijpercorps Prins Maurits (senioren) met leden van SDO, de zangvereniging Cecilia, en tot slot Prins Maurits (junioren) met leden van Good Luck. Tussen de muziek door waren er toespraken.


Zo kwam na 52 jaren een einde aan ‘het huis in Bussum’. De vruchten van het broederwerk leven echter voort: ViJos, SDO en Good Luck floreren als nooit tevoren en ook de St.-Vitusschool bestaat nog steeds. Duizenden door de broeders onderwezen en opgevoede Bussumse jongens hebben hun steentje bijgedragen aan voorspoed en welvaart in ons land, in het bijzonder in Bussum en het Gooi.

 

   

Dit artikel verscheen eerder in een wat uitgebreidere versie in Oriëntatie FIC, het contactblad van de Broeders van Maastricht. Nol Verhagen bewerkte het  artikel in overleg met de auteurs voor BHT. De auteurs bereiden momenteel een boek voor dat in woord en beeld de gehele historie van de broeders in Bussum zal behandelen. Zij zouden daarvoor graag in contact komen met oud-leerlingen van de Willibrordus- en de Vitusschool en met (oud-)leden van ViJos, SDO en Good Luck die zich hun tijd bij de broeders nog herinneren, en met hen die nog in het bezit zijn van documenten of andere memorabilia uit die tijd. Stuur uw bericht naar Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.  
Wie wil weten hoe het thans met de broeders is gesteld, kan terecht op de website www.broedersvanmaastricht.nl 

   

 

 

 

 

 

15

 

Bussums Historisch Tijdschrift, jaargang 36, nummer 2 (september 2020), pag 20-23

Honderd jaar Volksuniversiteit Naarden-Bussum

Klaas Oosterom

        
 
Logo van de Volksuniversiteit
Naarden-Bussum met het brandend
hart, ontworpen door K.P.C.de Bazel.

Klik hier voor de PDF versie van dit artikel
De afbeeldingen zijn aanklikbaar voor vergroting

 

Dit jaar bestaat de Volksuniversiteit Naarden-Bussum precies honderd jaar. Hieronder wordt de geschiedenis van de Volksuniversiteit beschreven in drie episodes. De schets van de eerste episode (tot de Tweede Wereldoorlog) is gebaseerd op het artikel Overzicht van 75 jaar Volksuniversiteit Naarden-Bussum door Marius van Melle in De Gooi- en Eembode,1995.

 

Het begin

Op 15 juni 2020 was het honderd jaar geleden dat in hotel Nieuw Bussum, op de plek waar nu het Oranjepark is, de Volksuniversiteit NaardenBussum (VU N-B) werd opgericht Een chique, elitaire bedoening, vonden ook de oprichters zelf. Maar hun doel was iedereen te bedienen die zijn kennis wilde vermeerderen en verdiepen, en niet slechts mensen die middelbaar onderwijs hadden genoten. De feestelijke opening van het eerste seizoen op 2 oktober 1920 in Concordia was ‘in stijl’: een lezing van freule Repelaer van Driel over J.S. Bach, die haar betoog kracht bijzette door enige aria’s van de componist ten gehore te brengen, op de vleugel begeleid ‘door een mejuffrouw’. 

Het initiatief voor de oprichting was genomen door de in 1909 opgerichte Gooische Kring voor Hooger Onderwijs buiten de Universiteit. Door contact te leggen met de arbeidersbeweging hoopte men af te komen van het elitaire karakter dat de Gooische Kring wel degelijk had, met zo’n honderd voornamelijk in villa’s wonende leden. De dragers van de Volksuniversiteit waren vooral mensen die zich keerden tegen de ‘schotjesgeest’.

       
Titelblad van het cursusprogramma
1921-1922
 

Het waren in religieus opzicht mensen uit vrijzinnig protestantse en joodse kringen en (in politiek opzicht) uit de liberale en sociaaldemocratische hoek. Het bestuur werd gedomineerd door mensen uit het onderwijs. Voor de oprichting had men aan tal van verenigingen en organisaties gevraagd mee te doen, maar geen enkele katholieke vereniging had aan de oproep gehoor gegeven. Hetzelfde gold voor de behoudende/rechtzinnige protestantse kerkgenootschappen.

Ondanks dit toch niet op de doorsnee- Bussumers en -Naarders gerichte programma kreeg de vereniging al snel veel leden: 320 bij het begin en enige jaren later al 700. Er werden cursussen aangeboden over kunst, geesteswetenschappen, sociale wetenschappen en wis- en natuurkunde. Een cursus bestond gemiddeld uit 5 (avond) bijeenkomsten.

Vanaf het begin organiseerde de vereniging ook muziek- en toneel uitvoeringen. Concerten van het Utrechtsch Stedelijk Orkest trokken in de jaren twintig wel zo’n 500 toehoorders. Enige nu nog bekende namen van cursusleiders uit die begintijd waren de componist en pianist Willem Andriessen, musicoloog Caspar Höweler en Bach-kenner Anthon van der Horst.

        
 
 De veelgebruikte cursuslocatie Doopsgezinde Vermaanhuis,
Wladimirlaan 10 in Bussum

Ook lezingen over de natuur, liefst voorzien van filmbeelden, trokken veel publiek. Artis-directeur A.F.J. Portielje trad tussen 1922 en 1950 regelmatig op. Men roemde zijn enthousiasme, maar had moeite met zijn zelfingenomenheid. Een optreden van de alpinist Philip Visser met lichtbeelden over de Himalaya trok in 1926 maar liefst 700 bezoekers, een niet meer geëvenaard record. Lezingen over de natuur dichter bij huis, door onder meer Henri Polak en Jac P. Thijsse, waren ook populair, maar men liep vooral warm voor het onbekende.

De pogingen om ook bij arbeiders belangstelling te wekken mislukten. Concerten en films wilden zij nog wel bezoeken, maar de drempel voor cursussen of lezingen bleek voor deze categorie potentiële deelnemers toch te hoog, ook al probeerde men de financiële drempel zo laag mogelijk te houden. Er speelden andere factoren mee: de arbeidersklasse ging liever naar volkshogescholen en naar cursussen van het Instituut voor Arbeidersontwikkeling; daar was men ‘onder elkaar’.

Het belang van de Volksuniversiteit wordt geïllustreerd door wat cijfers betreffende seizoen 1923-1924: behalve 3 concerten werden er, verdeeld over Bussum en Naarden, 16 cursussen gegeven, verspreid over 72 avonden, met 10 tot 70 deelnemers per cursus.

 

Tijdens de oorlog

In juni 1940 verscheen in het tijdschrift De Waag een artikel van T. Goedewaagen, vooraanstaand NSB’er en secretaris-generaal van het departement voor Volksvoorlichting en Kunsten en later voorzitter van de Nederlandse Kultuurkamer, waarin hij meldt dat Volksuniversiteiten onder toezicht worden gesteld. Ook worden de eerste maatregelen tegen joden genoemd. Op 29 juni 1940 kwamen de voorzitters van alle volksuniversiteiten in Utrecht bijeen om de situatie te bespreken. Al in februari 1941 wilde de secretaris-generaal het laatste jaarverslag van de Volksuniversiteiten ontvangen. En nog voor de zomer wilde men het programma voor het komende seizoen hebben, met vermelding van de sprekers. In september 1941 vergaderde het bestuur van de Volksuniversiteit Naarden-Bussum over het winterprogramma, in verband met de jongste maatregelen tegen de joden. Daarbij kwam de principiële vraag aan de orde of het niet beter was te stoppen, nu joodse leden en inleiders moesten worden geweerd. Vanaf eind september 1941 vond hierover intensief contact plaats tussen bestuursleden van de verschillende Volksuniversiteiten.

       
Programma 1944-1945 en verslag
uit 1943
 

Zo schreef de Amsterdamse Volksuniversiteit dat ze ‘geen Joodsche toehoorders mogen toelaten en dat ze daarom het plan hebben om aparte cursussen voor Joodsche cursisten en met Joodsche docenten te gaan houden en dan nog uitsluitend toegankelijk voor leden, dus niet openbaar’. Ze hoopten daarvoor toestemming te krijgen. Op 3 oktober kreeg de Volksuniversiteit Naarden-Bussum een brief van het departement met de mededeling dat het optreden van vier sprekers ongewenst was. In de brief werden wel gewenste lezingen aanbevolen, zoals over Rusland en het bolsjewisme. Er vonden talloze briefwisselingen en zelfs gesprekken plaatst, maar praktisch alle Volksuniversiteiten besloten door te werken.
Secretaris P. de Vries van de Volksuniversiteit Naarden-Bussum probeerde inmenging in de programma’s zoveel mogelijk te voorkomen, ook nadat hij in juni/juli 1943 een maand was vastgezet op de Amsterdamse Weteringsschans. Toen er bijvoorbeeld inzage werd geëist van de samenvatting van de lezing van J. van de Kieft (voorman van de Bussumse socialisten en later minister), loste de secretaris dat op door de inleider geen samenvatting te laten maken. De Vries was ook secretaris van de landelijke bond van Volksuniversiteiten.

Nog een voorbeeld van hoe ver de bemoeienis van de bezetter ging, staat in de brief aan de secretaris van 12 augustus 1944: ‘Met de cursus over “De relativiteitstheorie en de sterrenkunde” kan ik akkoord gaan, indien daarbij aan het werk van Einstein niet meer aandacht wordt besteed dan noodig is, om de ontwikkelingen der denkbeelden duidelijk te maken.’ Ambtenaren van het departement kwamen ook luisteren of aan de voorwaarden werd voldaan. Zo kwam de Volksuniversiteit Naarden-Bussum de bezettingstijd door, overigens met veel cursisten, die verder niet veel om handen hadden.
Het 25-jarig bestaan werd in jubelstemming gevierd. In de eerste 25 jaar hadden er 1864 bijeenkomsten plaatsgevonden, met meer dan 180.000 toehoorders en luisteraars.

 

Van 1945 tot nu

Na de Tweede Wereldoorlog zette de groei van de Volksuniversiteit zich voort. Het ledental werd meer dan verdubbeld tot tegen de 1500. De aantrekkingskracht op de jeugd was helaas vrij gering.Pogingen om arbeiders te trekken met een aparte afdeling volksontwikkeling mislukten. Populaire sprekers in de jaren vijftig en zestig waren de Bussumse arts dr. Elsa Pereira d’Oliveira, parapsycholoog W.H.C. Tenhaeff, prof. Garmt Stuiveling over literatuur en prof. M.A. Beek over opgravingen in het Midden- Oosten. Ook schrijvers als Ed Hoornik en Hella Haasse waren geliefd.Verder wereldreiziger en filmer mr. Th. Regout en de antropoloog Paul Julien over zijn expedities in donker Afrika. In het bijzonder de talencursussen namen een hoge vlucht. Het animo voor muziek- en toneelbezoek liep echter terug: daarvoor ging men liever naar Amsterdam of Hilversum.

        
 
De eerste eigen locatie van de Volksuniversiteit
van 1983 tot 1996: de voormalige pastorie
naast St.-Vituskerk.

Aan het einde van de jaren vijftig begon het ledental te slinken. De televisie hield de mensen thuis. In 1963 werd een einde gemaakt aan de toneelvoorstellingen in Concordia. Wel ging men voorlopig nog door met kamermuziek en recitals. Daar had men een grote reputatie mee opgebouwd door topsolisten als de zangeressen Aafje Heynis en Kathleen Ferrier en hoboïst Jaap Stotijn en violist Herman Krebbers naar Bussum te halen. Ook bleef er belangstelling voor kleinkunst, bijvoorbeeld de chansonnière Georgette Hagedoorn en de cabaretgroep van Rinus Ferdinandusse. Men probeerde het tij te keren door vanaf seizoen 1962-1963 met medewerking van de Bussumse ambachtschool doe-het-zelf cursussen te organiseren. Die liepen echter niet.

De malaisestemming waarin de Volksuniversiteit verkeerde kan goed worden geïllustreerd aan de hand van het voorstel in december 1967 om de Volksuniversiteit maar op te heffen. Zover kwam het echter niet. In de jaren zeventig ging het weer beter: Jan Wolkers kwam spreken over zijn eigen werk, Jan Vrijman sprak over Karel Appel en dr. A. Rama Polderman over yoga. Het ledental steeg weer. Werkcursussen kregen de overhand, de taalcursussen werden uitgebreid met Nederlands aan buitenlandse arbeiders. In 1978 werd de onderafdeling Muiden, Muiderberg, Weesp opgericht.

       
Het logo werd in de jaren zeventig vernieuwd
 

In 1983 kreeg de Volksuniversiteit een eigen onderkomen in de voormalige pastorie van de St.-Vituskerk aan de Brinklaan. In 1990 werd de Volksuniversiteit een stichting. In 1996 verhuisde men naar de voormalige Fatima- en Jozefschool aan de Ceintuurbaan. De Volksuniversiteit had het in deze jaren overigens moeilijk, doordat ook veel andere organisaties cursussen en lezingen aanboden.

In het begin van de 21ste eeuw kwam er steeds meer regionale samenwerking, zowel op administratief als op programmatisch gebied. Een paar cijfers uit die jaren: 221 activiteiten gepland, waarvan er 145 doorgingen, met bijna 2000 deelnemers, waarvan 80% vrouw. Behalve door verspreiding van het cursusboekje waren ook de jaarlijkse Open Dagen (eerst in Bussum, later ook in Naarden en Weesp) goed voor meer bekendheid en meer inschrijvingen. In de jaren daarna werden cursussen en andere activiteiten in de huis-aan-huis bladen bekend gemaakt.

       
 
Het logo omstreeks 2010

In 2006 verhuisde de Volksuniversiteit opnieuw, nu naar het gebouw van de Openbare Bibliotheek Naarden-Bussum, tegenwoordig Bibliotheek Gooi en Meer geheten. Daar heeft men de beschikking over een kantoor, computerruimte en leslokalen.

       
Het logo 2020
 

Nieuwe ontwikkelingen rond het 90-jarig bestaan in 2010 waren: een kwaliteitszorgsysteem met daaraan gekoppeld een erkenningsregeling, een website, het digitaal verspreiden van nieuwsbrieven en samenwerking met de bibliotheek. Men experimenteert ook met thema’s, waaromheen activiteiten worden georganiseerd. Zo was er een jaar met als thema Italië.

Inmiddels zijn er op tal van gebieden ontwikkelingen die het werk van de Volksuniversiteit minder bijzonder maken dan in de decennia daarvoor. De Volksuniversiteit is thans een van de vele organen die kennis, vorming en ontspanning op traditionele en moderne manieren aan de bewoners van de regio aanbieden.

 

 

 

 

 

Bussums Historisch Tijdschrift, jaargang 36, nummer 2 (september 2020), pag 24-27

Het Instituut tot Onderwijs van Blinden, Visio

Nol Verhagen

Klik hier voor de PDF versie van dit artikel
De afbeeldingen zijn aanklikbaar voor vergroting


In 2008 bestond het Koninklijk Instituut tot Onderwijs van Blinden tweehonderd jaar. Ter gelegenheid daarvan schreef Jozef Vos in opdracht van dit instituut de geschiedenis, onder de titel Tastend door de Tijd. Twee eeuwen onderwijs en zorg voor blinde en slechtziende mensen. Het onderstaande artikel en de daarin opgenomen citaten zijn vrijwel geheel ontleend aan deze publicatie.

 

Ook blinde kinderen moeten naar school

In 1932 vestigde zich in Huizen, maar feitelijk op de gemeentegrens van Bussum, het Instituut tot Onderwijs van Blinden, dat wij nu kennen als Visio. Dit Blindeninstituut was al opgericht in 1808 (in de Franse tijd) in Amsterdam. Het doel van het instituut was blinde kinderen in de gelegenheid te stellen zich te ontwikkelen tot volwaardige burgers, met een volwaardige deelname aan de maatschappij, lees: de arbeidsmaatschappij. De oprichters waren afkomstig uit de vrijmetselarij, een beweging die zich, op de vleugels van de verlichting, richtte op ‘verlichting uit de duisternis’. Niet voor niets was het laatste onderdeel van de ceremonie waarmee men in de vrijmetselarij werd ingewijd, het verwijderen van een blinddoek voor de ogen van de kandidaat-vrijmetselaar.

Het idee achter het Blindeninstituut was dat veel blinde kinderen in hun natuurlijke omgeving geen of weinig kans kregen zich normaal te ontwikkelen. Ook blinde kinderen moesten dus naar school en daar vooral beroepsmatige of vakmatige vaardigheden leren, die hen in staat zouden stellen een zelfstandig bestaan op te bouwen. De paradox was dat dit streven naar zelfstandigheid en integratie gerealiseerd moest worden door de blinde kinderen onder te brengen in van de buitenwereld afgesloten instituten. Deze paradox werd nog versterkt doordat in de praktijk de resultaten van al deze bemoeizorg nogal tegenvielen. Het lukte maar zeer weinig van de aan het Blindeninstituut opgeleide kinderen, kwekelingen genaamd, zich inderdaad zelfstandig in de maatschappij staande te houden. Het bleek dan ook al snel nodig om een Gesticht voor Volwassen Blinden op te richten om de kwekelingen na het verlaten van het Blindeninstituut op te vangen.

Behalve het Blindeninstituut was in 1880 in Bennekom ook de Prins Alexander Stichting opgericht, die zich specifiek richtte op blinde kinderen in de voorschoolse leeftijd, peuters en kleuters dus.In de decennia voorafgaande aan de vestiging in Huizen waren er behalve het neutrale Blindeninstituut ook katholieke en protestantse blindeninstituten ontstaan: het katholieke Sint Henricus in Grave (zie rectificatie) en het protestantse Bartiméus in Zeist. Sint Henricus bestond al vanaf 1859; Bartiméus was in 1919 opgericht, in het kielzog van het christelijk doofstommeninstituut Effatha in Leiden. Al deze instellingen waren het product van particulier initiatief en liefdadigheid.

 

‘Contact hebben met de geheele wereld’

De verhuizing in 1932 van het Blinden instituut naar het Gooi betekende een grote verbetering in de huisvesting. Het Gesticht voor Volwassen Blinden kreeg een apart woongebouw, met eigen kamertjes voor de bewoners en er kwam een arbeidsgebouw met modern ingerichte werkplaatsen en leslokalen voor de vakopleiding van de kwekelingen. Daarnaast waren er op het 8,5 ha grote terrein een hoofdgebouw met bestuurskamer, kantoren en klaslokalen, en internaten voor de oudere jongens en meisjes. (Het primaire onderwijs was intussen ondergebracht bij de Prins Alexander Stichting in Zeist). Verder bevonden zich op het terrein een apart muziekgebouw met concertzaal en dienstwoningen voor de directeuren van beide instellingen en voor de portier en de tuinman. Het geheel lag in een parkachtige tuin met een netwerk van paden, aangepast op het gebruik door blinde mensen. Met een schenking van koningin Wilhelmina en kroonprinses Juliana konden de gebouwen worden voorzien van een radio-aansluiting ‘zoodat onze verpleegden contact hebben met de geheele wereld’. Opmerkelijk is dat er gesproken werd over ‘verpleegden’. Het was immers juist de bedoeling om de cliënten, zoals wij ze nu zouden noemen, op te leiden en op te voeden tot een zelfstandig maatschappelijk bestaan. Ook het onderbrengen van het Blindeninstituut in een ver van de buitenwereld gelegen, afgeschermd gebied paste eigenlijk niet goed bij die doelstelling.

 

Van intern naar extern

Het Blindeninstituut bediende op dat moment ongeveer tweederde van de 300 scholieren binnen het totale onderwijs aan blinde en slechtziende kinderen in Nederland. Geleidelijk aan vond er een differentiatie plaats tussen (algemeen) onderwijs en vakopleiding enerzijds en onderwijs aan blinde en aan (zeer) slechtziende kinderen anderzijds. Een aparte categorie werd gevormd door meervoudig gehandicapte blinde kinderen, in het bijzonder blinde kinderen met een verstandelijke beperking.

Voor al die groepen werden op den duur aparte voorzieningen gecreëerd. In Huizen kwamen de echt blinde kinderen terecht, terwijl de slechtziende kinderen, met een geheel ander didactisch programma, in Huizen bezocht, maar thuis bleef wonen – sommige ouders verhuisden daarvoor zelfs naar het Gooi. De tweede was dat in 1967 bij het Goois Lyceum een aparte brugklas werd opgericht voor de leerlingen van het Blindeninstituut die een ulo- of mavodiploma hadden behaald. Vanuit die brugklas konden ze dan doorstromen naar de vierde klas van havo of vwo.

 

Een beatkelder aan de Amersfoortsestraatweg

In het kielzog van de culturele revolutie van de jaren zestig en zeventig in de buitenwereld, veranderden ook de normen en waarden in de binnenwereld van het Blinden instituut. In 1968 vond er een modeshow plaats, waarvan verslag werd gedaan in alle Nederlandse kranten, in vier radio- en twee televisie-uitzendingen en in het bioscoopjournaal. Om de drempel tussen de leerlingen van het instituut en leeftijdgenoten van buiten het instituut te slechten, trachtte men in 1968 ‘via het organiseren van dansavonden in beatstijl […] de wederzijdse onbekendheid te doen verminderen’. Een oud kolenhok werd omgebouwd tot beatkelder. ‘De bedoeling van deze kelder is, dat de jeugd uit de omgeving, samen met de blinde jeugd er elke zaterdagavond komt beatdansen.
Tot nu toe lijkt dit een groot succes te worden.’ Er werd ook bier geschonken. Kennelijk sloeg het succes een beetje door, want in 1975 werden twee directeuren ontslagen. ‘Wat de directe aanleiding was is onduidelijk, maar uit mondelinge mededelingen kan men afleiden dat de beatkelder inmiddels een reputatie had opgebouwd als het Sodom en Gomorra van het Gooi.’

 Heroriëntatie

Ook in andere opzichten waren het turbulente tijden. De zorg, die lange tijd gecentraliseerd was geweest in een klein aantal gespecialiseerde instituten, waar de cliënt werd ‘opgenomen’, moest nu naar de cliënt worden gebracht. Er werd een proces van regionalisatie in gang gezet, waarbij de moeizaam verworven inhoudelijke specialisatie van de drie instituten in Huizen, Zeist en Haren (namelijk blinde en slechtziende mensen en mensen met een meervoudige handicap) weer ongedaan werd gemaakt. Het voert te ver om hier alle bestuurlijke en organisatorische perikelen uit de doeken te doen, waarmee deze regionalisatie gepaard ging. De uitkomst was dat de hele zorg voor blinden en slechtzienden een totale verandering onderging. De voormalige blindeninstituten, met hun nadruk op intramurale zorg voor blinde en slechtziende kinderen, werden omgevormd tot  serviceorganisaties die zorg op maat bieden aan een veel bredere doelgroep en met een veel uitgebreider pakket aan voorzieningen en faciliteiten. Een blik op de website van Visio (www.visio.org) is voldoende om dat duidelijk te maken. Terwijl de zorg werd gedecentraliseerd, werd de aansturing daarvan juist gecentraliseerd. In 1988 sloten de op dat moment vrijwel zelfstandige instituten in Huizen, Zeist en Haren zich aaneen onder de naam Visio. In het zuiden van het land vond enige tijd later bij de katholieke blindeninstituten een soortgelijk proces plaats. De neutrale en de katholieke organisaties vonden elkaar ten slotte in 2007, net voordat het Blindeninstituut zijn 200-jarig bestaan kon vieren.

Het isolement doorbroken

Visio in Huizen is nu de hoofdvestiging van een wijd vertakte organisatie met bijna 3000 medewerkers die zich profileert als ‘expertisecentrum voor blinde en slechtziende mensen’. Er is weinig wat nog herinnert aan het vroegere internaat. Voor zover cliënten op het terrein wonen – dat kan nog steeds – verblijven ze in kleinschalige units. Het isolement waarin de kwekelingen van het Blindeninstituut, ondanks alle goede bedoelingen, vroeger verkeerden, is definitief doorbroken.

 

Bronnen

  • Jozef Vos, Tastend door de tijd. Twee eeuwen onderwijs en zorg voor blinde en slechtziende mensen. Amsterdam, 2008
  • Website Visio: www.visio.org

 

 

 

 

Bussums Historisch Tijdschrift, jaargang 36, nummer 2 (september 2020), pag 28-30

Michiel Noordewier, kunstschilder en geliefde docent klassieke talen

Eric Bor

Klik hier voor de PDF versie van dit artikel
De afbeeldingen zijn aanklikbaar voor vergroting

 

Dr. Michiel Noordewier was niet alleen sinds 1886 een bekende kunstschilder, maar vanaf 1920 ook een door leerlingen en collega’s zeer gewaardeerde docent klassieke talen op het Christelijk Lyceum, het latere Willem de Zwijger College. De aanstelling van de classicus Noordewier markeert dus het prille begin van het 100-jarig, bestaan van deze school.

Michiel Noordewier werd op 23 januari 1868 geboren in Dordrecht. Hij ging in Delft naar het gymnasium en volgde daarnaast tekenlessen bij de kunstenaar Adolf le Comte, die lesgaf op de Polytechnische school in Delft. Vervolgens ging hij klassieke talen studeren aan de Leidse universiteit. In 1889 behaalde hij het doctoraal examen en ging hij als 21-jarige lesgeven op het gymnasium in Delft, waarvan zijn vader op dat moment rector was. In 1891 promoveerde hij op een dissertatie over de Griekse dichter Aristophanes tot doctor in de letteren.
Het lesgeven beviel hem echter niet. Hij paste op zijn jonge leeftijd niet in het keurslijf van de bedaagde sectie klassieke talen en had een afkeer van het sterk op feiten en niet op beleving gerichte onderwijs uit die tijd. Hij herkende zich meer in de publicaties van zijn leeftijdgenoten en veelal mede-classici de Tachtigers in de De Nieuwe Gids.

Naar Parijs

Hij zegde zijn baan op en ging een half jaar naar Parijs. Daar verkeerde hij in gezelschap van onder meer de beeldhouwster en ‘Muze der Tachtigers’ Sara de Swart en de kunstschilder, etser en lithograaf Maurits van der Valk, die onder het pseudoniem J. Stemming kunstkritieken schreef in De Nieuwe Gids.
Na terugkeer in Nederland wijdde Noorderwier zich voluit aan de schilderkunst. Omdat hij er niet van kon leven, nam hij bijlesleerlingen aan als ‘privaatdocent oude talen’. Zijn eerste schilderatelier was in Amsterdam. Hij kwam daar in contact met jonge classici die net  als hij kozen voor de kunst, maar privaatlessen klassieke talen moesten geven voor hun levensonderhoud: de schrijvers Herman Gorter en Hein Boeken en de componist Alphons Diepenbrock, die hem in contact brachten met de dichter Willem Kloos en de schrijver Lodewijk van Deijssel. Hij keerde terug naar Delft en enige tijd later kreeg hij een atelier in Den Haag via de acht jaar oudere schilder Willem Bastiaan Tholen, die net als hij les had gehad van Adolf le Comte en nu leraar was aan de Polytechnische school in Delft.

       
 
Aaltje met Hendrik-Jan, 1895

Aaltje

Waarschijnlijk kwam Michiel via Alphons Diepenbrock in contact met de sopraan Aaltje Reddingius, met wie hij in 1893 trouwde. Zij woonden eerst korte tijd in Putten, daarna in Den Haag, waar in 1894 hun zoon Hendrik-Jan werd geboren, en vervolgens in Rijswijk. De carrière van Aaltje Noordewier-Reddingius nam vanaf 1893 een hoge vlucht. Ze werd eerste docente op het Amsterdamse Conservatorium en stond als oratoriumzangeres op talrijke concertpodia in binnen- en buitenland. Vanaf 1900 werkte zij veel samen met de veeleisende dirigent Willem Mengelberg.

       
 Aaltje Noordewier-Reddingius, zangeres
 

In september 1898 verhuisde het gezin Noordewier naar Hilversum, waar in 1904 hun tweede zoon, Michiel, werd geboren. In de omgeving van Hilversum maakte Noordewier verschillende schilderijen, maar hij werkte ook in Rhenen en zelfs in Zwitserland. Hij werd lid van de Vereniging van Beeldende Kunstenaars ‘Laren-Blaricum’ en van de Vereniging van Beeldende Kunstenaars Hilversum, waarvan hij al spoedig voorzitter werd. Hij exposeerde zijn schilderijen onder meer op een tentoonstelling van de Kunstenaarsvereniging St. Lucas in Amsterdam.

 

Lyceum in Bussum

Tijdens de Eerste Wereldoorlog lukte het hem steeds minder goed zijn schilderijen aan de man te brengen. Hij ging lesgeven aan drie particuliere kostscholen: Instituut Demmink, een hogereburgerschool (hbs) aan de Dalweg in Hilversum die tot 1922 bestond, de Godelindeschool in Hilversum, een school met uitgebreid lager onderwijs (ulo), en aan de in 1917 opgerichte Luitgardeschool op de Nieuwe ’s-Gravelandseweg 11 in Bussum. Deze meisjesschool omvatte een 3-jarige hbs en een bovenbouw met extra talen en huishoudelijke vakken. Geen geschikte plekken voor een classicus: Michiel gaf aan al deze scholen dan ook Nederlands.

       
 
Zicht op de ’s-Gravelandse Vaart

Gelukkig voor hem werd de school in Bussum in 1920 uitgebreid met een lyceumafdeling in de villa Nieuwburg, Nieuwe ’s-Gravelandseweg 12 (na 1930 nummer 38). Hier kon hij zijn eigen vak gaan geven: klassieke talen. Aanvankelijk aan een handjevol meisjes, maar toen het lyceum in 1923 ook werd opengesteld voor jongens, veranderde dat. De school, die toen niet langer Luitgardeschool heette, maar kortweg het Lyceum, kreeg zoveel leerlingen dat er al in 1923 noodlokalen op het terrein werden gezet en in 1925 een flinke uitbreiding werd gerealiseerd. 

 

        
Afscheid van het Christelijk Lyceum,1933
 

Levend verleden

Anders dan op het gymnasium in Delft presenteerde Noordewier de oude talen niet uitsluitend als theoretisch vak, maar riep hij de klassieke oudheid met enthousiaste verhalen op in de verbeelding van de leerlingen, die het vele jaren later nog hadden over zijn gloedvolle manier van declameren van de Griekse verzen. Tijdens docenten vergaderingen nam hij het voor de leerlingen op, maar ook collega’s konden altijd rekenen op een vriendelijk woord. Bij jubilea of vertrek van collega’s voerde hij steevast het woord namens de docenten.

In 1930 overleed plotseling zijn jongste zoon Michiel, die net als zijn moeder het conservatorium had bezocht en die fluitist was in het Concertgebouworkest. De begrafenis werd bijgewoond door het complete Concertgebouworkest en tal van kunstvrienden van zijn ouders. Hein Boeken schreef een herdenkingsgedicht in De Nieuwe Gids.

     
  Wijze: God save our gracious King  
     Al lijkt het hier een feest, 
Dat is toch niet de geest: 
            Het is ons vreemd, 
Dat wat ons daaglijks bindt  
Aan onzen ouden vrind 
(Soms jeugdig als een kind) 
            Een einde neemt. 
Ja, Doctor Noordewier 
Gij gaaft ons vaak plezier
             In Uwe les.
Uw heftig armgezwaai, 
Wat vonden we dat fraai; 
Uw machtig krijgslawaai 
           Had kracht voor zes
     U wenschte onze vreugd;
U sprak niet over deugd,
           Maar deed ’t ons voor;
En meer dan iemand weet
Naamt gij deel in ons leed
Ja, zelfs wie vaak misdeed,
            Die spraakt ge voor.
Dus danken w’allen U
En wenschen vreugde U
             Nog langen tijd
Uw werk zal niet vergaan
We hebben U verstaan;
Gij blijft voor ons bestaan
             Nog langen tijd
     
         
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

 

Afscheid

           
Foto bij zijn in Memoriam, 1939
 

In juli 1933 verliet Noordewier de school wegens het bereiken van de pensioen gerechtigde leeftijd. Zijn leerlingen, die zeer op hem gesteld waren, zongen hem tijdens zijn afscheid toe (zie kader). Eind 1937 werd de rector van het lyceum dr. W. Engelkes ziek en in februari 1938 overleed hij op 42-jarige leeftijdtijd. Zijn lessen Latijn werden waargenomen door de inmiddels 70-jarige Noordewier.

Michiel Noordewier overleed op dinsdag 14 januari 1942 in het Diaconessenhuis in Hilversum. Hij werd op de Nieuwe Algemene Begraafplaats aan de Bosdrift in Hilversum begraven.Na zijn dood werden te zijner ere enkele van zijn werken in de kunstzaal van hotel Hamdorff in Laren geëxposeerd. Aaltje overleefde hem zes jaar.

 

Bronnen

  • Noordewier Genealogy
  • Archief Historische Kring Hilversum Albertus Perk
  • Archief Willem de Zwijger College
  • ‘Bekende Bussumers’ op gooisemereninformatie.nl
  • Pieter Scheen, Lexicon Nederlandse Beeldende Kunstenaars 1750-1950.

 

 

Bussums Historisch Tijdschrift, jaargang 36, nummer 2 (september 2020), pag 31-35

Meer uitgebreid lager onderwijs in Bussum – van mulo naar mavo

Guusje Hent

Klik hier voor de PDF versie van dit artikel
De afbeeldingen zijn aanklikbaar voor vergroting

 

Het meer uitgebreid lager onderwijs (mulo) is vanaf het begin in 1857 tot het einde in 1968 een vorm van lager onderwijs geweest. Er werd les gegeven in de vakken Nederlands, Frans, Duits, Engels, algebra, meetkunde, fysica, biologie, aardrijkskunde en geschiedenis. Leraren gaven vaak les in meer dan één vak. De eindexamens werden buiten de school afgenomen, in aanwezigheid van een rijksgecommitteerde. Je kon ook boekhouden en bedrijfsrekenen erbij doen en zo een middenstandsdiploma behalen. Mulo A, met een accent op talen en boekhouden, leidde op voor een baan op kantoor en voor de kweekschool voor onderwijzers, en mulo B, met meer aandacht voor de bèta-vakken, gaf toegang tot een technische vervolgopleiding. Toen de schrijfmachine in zwang kwam, kon je op school ook een diploma machineschrijven halen. Als je de eindexamenopgaven nu bekijkt, valt op dat de leerlingen heel veel uit het hoofd moesten leren, begrip werd minder gevraagd.

 

Korte geschiedenis

De mulo ontstond ver voordat er van een leerplicht sprake was. In 1901 werd de leerplicht op zes jaar gesteld, in 1928 ging die naar zeven jaar en in 1942 naar acht jaar. Toen vanaf 1917 de bijzondere scholen op dezelfde wijze werden gesubsidieerd als de openbare scholen, steeg het aantal bijzondere scholen in Bussum sterk. In de onderwijswet van 1920 verdween de naam mulo en werd de term ulo gebruikt. Veel scholen bleven echter de naam mulo voeren en ook het diploma bleef een mulodiploma. Dit schooltype was populair: in 1920 waren er in Nederland al 746. In 1960 telde de mulo meer leerlingen dan elk andere vorm van voortgezet onderwijs.

Eind jaren zestig wilde men het onderwijs hervormen. Minister Cals kwam in 1968 met de Mammoetwet, waarin de mulo werd vervangen door de mavo (middelbaar algemeen voortgezet onderwijs), die een betere doorstroming moest geven naar het vervolgonderwijs. Het aantal eindexamenvakken werd teruggebracht naar zes. De mavo kwam hiermee los te staan van het lager onderwijs, waar het voorheen toe werd gerekend. In 1992 kondigde het ministerie van Onderwijs een verdubbeling van het aantal leerlingen voor een zelfstandige mavoschool af: voortaan moest een school niet 120 maar 240 leerlingen hebben. Dat pakte voor de vaak kleine mavo’s in Bussum slecht uit. De daling van het inwonertal als gevolg van het gebrek aan nieuwe huizen voor jonge gezinnen versterkte dit effect nog.In de onderwijswet van 1999 werd de mavo ondergebracht bij het vmbo (voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs). De mavo is daarin officieel de ‘hoogste’ leerweg. In de praktijk ontstond een discrepantie tussen deze 4de – theoretische – leerweg en de overige drie beroepsgerichte leerwegen.

 

De Bussumse mulo’s

De geschiedenis van het mulo- en mavo- onderwijs in Bussum is veelomvattend en kleurrijk. De meeste mulo’s in Bussum zijn voortgekomen uit de lagere scholen: het was immers uitgebreid lager onderwijs. Zij bleven aanvankelijk dan ook lang bij hun ‘moeder’ inwonen, wat mogelijk was doordat het aantal leerlingen klein was.

        
 
Noodgebouw van de Gooilandschool aan de Gooiberg, 1966

 

Instituut Gooiland

In 1878 werd Instituut Gooiland gesticht, eerst alleen voor jongens, later werden er op de dagschool ook meisjes toegelaten. Het instituut bood behalve lager onderwijs ook mulo-onderwijs aan, dat lange tijd in de school werd gegeven. In de crisisjaren kende de school een moeilijke tijd, omdat ouders het schoolgeld niet meer konden betalen en ervoor kozen hun kinderen naar een school met een lagere ouderbijdrage te sturen. In het begin van de jaren zestig zat de ulo-afdeling in een villa op de Meentweg en in 1966 in noodlokalen aan de Gooiberg. In 1983 kreeg deze afdeling eindelijk een eigen gebouw aan de Graaf Florislaan 2. Instituut Gooiland kende een eindexamen op twee niveaus: C, minder uitgebreid en D, met zeven vakken.Ondanks een samenwerkingsverband met het Nieuwe Lyceum in Hilversum heeft de school het niet gered. In 1993 werd de school opgeheven.

 

De Mariamavo en de Vitusmavo

In 1904 werd in Bussum de katholieke Mariaschool voor meisjes gesticht, twee jaar later uitgebreid met de Henricusschool voor meisjes uit minder vermogende gezinnen. In 1912 kwam er een mulo-afdeling bij de Mariaschool. Al sinds de oprichting waren er op de school zogenoemde kopklassen, waar de leerlingen een zevende en achtste jaar konden volgen. Het accent bij de mulo-opleiding lag op de talen en boekhouden. De school had in 1929 al 74 leerlingen en in 1948 ongeveer honderd. In 1950 werden de vervolgklassen afgeschaft en kwam er een ulo met 3-jarige cursus, naast de 4-jarige mulo-opleiding. In 1962 had de school driehonderd leerlingen. De invoering van de Mammoetwet betekende het eind van de meisjesschool. De Mariamulo fuseerde met de Vitusmulo voor jongens (zie hierna) en ging Mariamavo heten.

De Sint-Willibrordusschool voor jongens werd opgericht in 1908 en in 1911 uitgebreid met de Vitusschool, waarbij de Willibrordusschool werd bestemd voor de minder draagkrachtige leerlingen. De Vitusschool had een ulo-opleiding in hetzelfde gebouw, de Willibrordus had alleen vervolgklassen – ook hierin kwam het standsverschil tot uiting. Na de fusie in 1968 met de Mariamulo ging de school verder onder de naam Mariamavo voor zowel jongens als meisjes, met zo’n vijfhonderd leerlingen. De naam van Sint Vitus bleef verbonden aan de lagere school, die nu ook gemengd was.In 2001 fuseerde de Mariamavo met de Ministerpark Mavo uit Naarden. De nieuwe school met de naam Vitusmavo maakt deel uit van de Stichting Interconfessioneel Onderwijs in het Gooi (Vituscollege, Willem de Zwijger College en Vitusmavo).

 

        
 
De Brandsmaschool aan de Huizerweg, 1953

Instituut Brandsma

Instituut Brandsma begon in 1914 in een nieuw gebouw aan de Graaf Wichmanlaan (naast het al bestaande kleuter- en lager onderwijs) met een mulo. In 1922 werd de school gesplitst en ging de mulo (overigens op dezelfde locatie) zelfstandig verder met een A- en een B-afdeling. In 1953 verhuisde zij naar een eigen gebouw aan de Huizerweg 49c. Ook deze school ging ten onder aan het leerlingentekort: in 1988 bleken er te weinig leerlingen te zijn voor een brugklas en in 1990 sloot de school haar deuren. In het gebouw aan de Huizerweg is nu kinderdagverblijf ’t Mouwtje gevestigd.

 

IVO-mavo/Fonteinmavo

In 1933 stichtte de Bussumse Montessorischool een IVO-afdeling (individueel voortgezet onderwijs), eerst in de school aan de Busken Huëtlaan, daarna in leegstaande lokalen van de Koningin Emmaschool. Louis Fontein, hoofd van de Montessorischool, koos ervoor met zijn IVO mee te gaan en werd de eerste directeur. In 1965 kwam er een eigen gebouw aan de Aagje Dekenlaan, ontworpen door de architect F. Eschauzier jr., helemaal gericht op het individuele onderwijs. Het gebouw was daaraan aangepast, met uitspringende hoeken, die door werkgroepen konden worden gebruikt. De individuele ontwikkeling van de leerling stond voorop.

        
Het eerste gebouw van de Fonteinmavo aan de Aagje Dekenlaan
 

De school eerde toen zijn oprichter door de naam van de school te veranderen in L.H. Fonteinschool. In 1965 waren er tweehonderd leerlingen. Na de invoering van de Mammoetwet in 1968 werd de school onderdeel van de Gooise Scholen Federatie en veranderde in een mavo, met gewoon klassikaal onderwijs.

De school kende een stijgend aantal leerlingen, mede doordat andere mavoscholen hun deuren moesten sluiten. Op het hoogtepunt in 1999 waren er 474 leerlingen. Een ander onderkomen was noodzakelijk, want de school barstte uit zijn voegen. In 2002 kwam er een nieuw gebouw op de oude plaats, ontworpen door architectenbureau A.A. Bos en Partners. Een moderne school in waaiervorm, die er echt uitspringt in deze buurt. Ondanks de invoering van de wet op het vmbo in 1999 ging de Fonteinmavo als zelfstandige school door, met een 4de (theoretische) leerweg.

 

De Prinses Irenemavo

Aan het Wilhelminaplantsoen verrees in 1920 de Gemeentelijke ULO, in gemeentelijke termen school H. Na de Tweede Wereldoorlog werd de school vernoemd naar prinses Irene. Het gebouw was een ontwerp van architect C.J. Kruisweg.

         
De Ireneschool aan het Wilhelminaplantsoen, 1920
 

De school had bij de start 117 leerlingen, in 1933 waren dat er al 304. De school werd toen uitgebreid tot dertien lokalen. Het schoolgebouw werd echter nooit aangepast aan de moderne tijd. Bij het afscheid van directeur J.M.H. Carpay in 1984 uitte hij kritiek op het gemeentebestuur, dat volgens hem de school had laten verpauperen. Zo was er geen kantine, geen aula. Sinds 1977 werd er gesproken over een nieuw gebouw, maar dat kwam er nooit. Als gevolg van het ambitieuze Centrumplan moest de school verhuizen naar de leegstaande Beatrixschool aan de Ceintuurbaan. Op het terrein aan het Wilhelminaplantsoen verrees het Palladio-complex.

In 1980 werd het 60-jarig bestaan van de school nog gevierd, maar uit De Gooi- en Eemlander van die tijd kunnen we lezen dat de leraren kritiek hadden op de houding van het gemeentebestuur, dat zich volgens hen weinig gelegen liet liggen aan de school. In 1986 volgde een fusie met de Delta-scholengemeenschap in de Jan Bottemastraat. Dat heeft slecht uitgepakt voor de school. Ouders en leerlingen gaven de voorkeur aan een zelfstandige mavo boven een die deel uitmaakte van een vmbo-scholengemeenschap. Het teruglopen van het aantal leerlingen leidde tot het opheffen van de Delta-scholengemeenschap in zijn geheel.

Tegenwoordig is het volgen van het hele vmbopakket alleen mogelijk in Laren, bij College De Brink. De opheffing van de school betekende ook het einde van het openbaar vervolgonderwijs in Bussum.

 

De Luitgardeschool

De Luitgardeschool aan de Nieuwe ’s-Gravelandseweg 11 is een buitenbeentje in dit overzicht. De school op protestantse grondslag werd in 1917 gesticht als 3-jarige hbs voor meisjes en had bij aanvang veertig leerlingen. In 1920 werd besloten de school te veranderen in een meisjeslyceum, met een afdeling gymnasium en een 6-jarige hbs en daarnaast een school voor algemene ontwikkeling en huishoudonderwijs onder leiding van mevrouw Dudok van Heel, die tot 1931 directrice zou blijven. Het was niet mogelijk beide onderwijstypen in hetzelfde gebouw te houden, dus werd voor het lyceum villa Nieuwburg, schuin aan de overkant, aangekocht. Rector Spijkerboer ging in zijn openingsspeech breedvoerig in op het nut van gescheiden onderwijs voor jongens en meisjes. Co-educatie (gemengd onderwijs) zou maar leiden tot verruwing van de zeden bij de meisjes.

Tot 1925 bleven lyceum en Luitgardeschool met elkaar verbonden, daarna gingen de scholen apart verder. In 1934 was het ruimtegebrek zo groot dat de Luitgardeschool verhuisde naar villa Die Haege (nu villa Jorulo) op de Nieuwe ’s-Gravelandseweg 21, die voor f 34.000,- was aangekocht. Er waren veertig leerlingen, waarvan vijftien intern; zij sliepen boven de school. De school heeft nooit overheidssubsidie gehad, of zelfs maar aangevraagd: het was een school uitsluitend voor jongedames uit de gegoede burgerij, met een hoog bedrag aan schoolgeld. Het lesprogramma bevatte onder andere moderne talen, tuinbouw, geschiedenis en kunstgeschiedenis, voedingsleer en huishoudelijke verzorging. Het was ook mogelijk via de school een mulodiploma te halen. Door de veranderende maatschappelijke omstandigheden was er echter steeds minder behoefte aan een dergelijke dure particuliere school. In 1962 werd de school opgeheven.

 

Over het vmbo wordt in alle talen gezwegen

De invoering van de Mammoetwet, de verhoging van het minimumaantal leerlingen en de invoering van het vmbo hebben geleid tot het teruglopen van het aantal scholen voor voortgezet onderwijs en het verdwijnen van het openbaar voorgezet onderwijs in ons dorp. Officieel is er geen mavo-onderwijs meer (het is immers vmbo geworden), maar in Bussum en Naarden zijn er toch nog twee scholen die zichzelf zo noemen: De Fontein en de Vitusmavo. De eerste is voortgekomen uit het Montessori-onderwijs, de tweede uit het katholieke/confessionele onderwijs. Als je de website van de twee scholen bekijkt, valt op dat het mavo-onderwijs en de mogelijke doorstroming naar de havo ruim worden behandeld en dat over het vmbo, waar de scholen deel van uitmaken, in alle talen wordt gezwegen. Het feitelijke beroepsonderwijs is geheel uit onze gemeente verdween.

 

Bronnen

  • 1904-1994, 90 jaar historie in vogelvlucht, uitgave het ere van het 90-jarig bestaan van de Mariaschool
  • Wim Daniëls, De MULO, de carrièreschool voor het ‘gewone volk’, Amsterdam, 2018.
  • De Gooi- en Eemlander 28-09-1884 en 06-09-1986.
  • Het knipselarchief van de HKB, dat – speciaal in tijd van Corona – buitengewoon handig was.

 

 

Actueel

Fusie archiefdiensten in aantocht

   
 

De archieven van Gooise Meren /Huizen -met de vestiging in Naarden Vesting- en het Streekarchief Gooi en Vechtstreek in Hilversum, dat voor Hilversum, Wijdemeren, Laren en Blaricum archieftaken uitvoert, gaan fuseren. Dat meldt Bussums Nieuws Extra op basis van een collegebrief van wethouder Geert-Jan Hendriks aan de gemeenteraad van Gooise Meren. Volgens hem blijkt de schaalgrootte van de afzonderlijk archiefdiensten niet meer passend voor de opgaven waar het archief tegenwoordig voor staat, zoals het digitaal opslaan en beheren in een E-depot. 'Het onderzoek naar deze optie laat weinig ruimte voor twijfel: fuseren is een uitgelezen kans om te komen tot een robuuste organisatie die beter toegerust is voor de opgaven van de archiefdiensten'  staat in de brief.

Lees meer...

Foto van de maand

Juni 2022

Dit is de Groot Hertoginnelaan, vermoedelijk jaren ’20 of ‘30 van de vorige eeuw. Wat opvalt is de rust, die de foto uitstraalt. Een groot contrast met al het verkeer dat nu door de laan rijdt. De kinderen konden toen hier nog op straat spelen. We zien drie grote villa’s, waarvan er enkelen nu ook nog moeten staan, maar door de huidige begroeiing aan het oog zijn onttrokken. Kunt u ons vertellen welke dat zijn en welke huisnummers het betreft? Uw reactie gaarne naar Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. 

HKB Nieuws

Excursie grafheuvels

Vrijdagmiddag 10 juni maakte een groep vrijwilligers van de Historische Kring Bussum  en andere belangstellenden een ontdekkingstocht naar de grafheuvels in het heidegebied tussen Bussum en Hilversum. Dit onder leiding van Sander Koopman van de archeologenvereniging ANW Naerdincklant. De excursie betekende een pittige wandeling van ruim twee uur over de Bussumerheide en de Westerheide. Daarbij werden de grafheuvels bekeken, het gebied met het urnenveld en de Lange Heul, met de plaats van een verdwenen middeleeuwse boerderij, waar ook een grafheuvel heeft gelegen.

Lees meer...

We hebben 67 gasten en geen leden online