Home
Open Menu
Bussums Historisch Tijdschrift, jaargang 36, nummer 3 (december 2020), pag 28-31

Van Naarder Zandpad tot A1: de geschiedenis van de Rijksweg

Nol Verhagen

Klik hier voor de PDFversie van dit artikel
De afbeeldingen zijn aanklikbaar voor vergroting

 

      
 
De verkeerssituatie rond Naarden aan het eind van de 19de eeuw

Wij weten niet beter dan dat je met een snelheid van (tegenwoordig nog maar) 100 km per uur van Amsterdam naar Duitsland kunt zoeven over de A1. Je rijdt dan met een boog om Naarden en Bussum heen en zo door naar Amersfoort en verder. Het traject om Naarden heen wordt plaatselijk nog wel eens ‘om de Noord’ genoemd, hoewel de meeste inwoners van Naarden en Bussum waarschijnlijk al niet meer weten wat dat betekent. Op de grens van Bussum en Naarden en vervolgens op die van Bussum en Huizen, vanaf Jan Tabak tot aan het viaduct bij ziekenhuis Tergooi, loopt parallel aan de A1 een weg die de Amersfoortsestraatweg heet. Ten noorden van Naarden vind je de Amsterdamsestraatweg, die parallel loopt aan de Amsterdamse trekvaart. Inderdaad, die twee zijn de voorlopers van de A1. Maar het begon met die trekvaart.

 

Het Naarder Zandpad

In 1640 besloten de bestuurders van Amsterdam, Muiden en Naarden om een trekvaart aan te leggen tussen hun gemeenten. Een college van Commissarissen (vertegenwoordigers van debetrokken gemeenten en andere belanghebbenden) werd belast met de uitvoering van het werk. Naast de trekvaart werd een weg aangelegd die werd gefinancierd met geleend geld. Om de kosten van de lening en het onderhoud van de weg te dekken, werd er op diverse plaatsen, zowel op het water als op het land, tol geheven. Die tol is tot 1900 in stand gebleven.

De weg was in feite een met puin verhard zandlichaam, dat het Naarder Zandpad werd genoemd. Het probleem met de tolheffing was dat vrijwel iedereen die beroepshalve van het zandpad en de naastgelegen vaart gebruik moest maken, vrijstelling had, zodat de opbrengsten schamel te noemen waren. De bruikbaarheid van de weg was sterk afhankelijk van de weersomstandigheden: regen en dooi sloegen grote gaten in het wegdek.Het pad vergde dan ook voortdurend onderhoud. In de loop van de tijd nam het belang van de weg sterk toe: het was de belangrijkste verbinding van Amsterdam met het oosten van het land, te beginnen met Amersfoort. Al het niet-varende verkeer maakte er gebruik van en trok zo dwars door Naarden.

     
De verkeerssituatie rond Naarden heden ten dage.
Illustratie Janwillem van Aalst
 

 

Van Zandpad tot Straatweg

Aan het begin van de 19de eeuw, na de Franse tijd, werd verkeer en waterstaat een onderwerp van landelijk beleid en toezicht. De overheid wilde de kwaliteit van de hoofdverkeerswegen verbeteren, rijkelijk laat voor een handelsnatie als Nederland. Daartoe behoorde ook het Naarder Zandpad, dat zou moeten worden bestraat. De eigenaar van het pad, het eerder genoemde college van Commissarissen, had echter – gelet op de geringe opbrengst van de tolheffing – weinig trek om er in te investeren en schoof de kwestie op de lange baan. Het zou uiteindelijk tot 1840 duren eer het zover kwam. De staat had de weg inmiddels overgenomen en op 5 oktober van dat jaar werd de weg opengesteld voor alle verkeer: het Naarder Zandpad was de Amsterdamsestraatweg geworden.

 

     
 
Een vrachttransport van de Gooise tram steekt in 1955
de Rijksweg over bij de kruising met de Thierensweg.
Foto Gooienvechthistorsch.nl (zie rectificatie)

De Gooische Stoomtram

In 1881 werd langs hetzelfde traject de Gooische Stoomtram aangelegd, die pal naast de niet meer dan 3,70 m brede weg liep en die zoveel stof opwierp dat de weg voor ander verkeer soms nauwelijks te gebruiken was, vooral niet toen dat andere verkeer steeds vaker bestond uit fietsers en auto’s. Al dat verkeer moest zich bovendien door de vesting wringen: bij de Amsterdamsche Poort er in en bij de Utrechtsche Poort er weer uit. Of andersom, als je uit de richting van  Amersfoort kwam.

 

De Vesting Naarden

Toch duurde het nog tot 1917 voor de eersteplannen werden gemaakt voor een alternatieve route. En hoewel het tracé voor een nieuwe Rijksweg al in 1921 werd vastgesteld, werd de aanleg pas in 1928 ter hand genomen. Dat het zo lang duurde had alles te maken met de gecompliceerde situatie van Naarden als vestingstad, onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie.
Niet zo heel lang geleden, in 1874, was die positie nog eens bevestigd in de Vestingwet en was er ten zuiden van Naarden een aantal fortificaties bijgebouwd. Het betekende dat de militairen een dikke vinger in de pap hadden bij alles wat er in de wijde omtrek van de vesting aan bouwwerkzaamheden plaatsvond. De bekende Verboden Kringen, waarbinnen niet gebouwd mocht worden, sloten Naarden in feite helemaal in. En hoewel velen twijfelden aan het nut van de Vesting Naarden als militair bolwerk, werden er in de Eerste Wereldoorlog toch nog elementen aan toegevoegd, in de vorm van een ring van zeven schansen ten zuiden van Bussum en tussen Naarden en Huizen (zie ook het artikel van Hans Mous en Klaas Oosterom in BHT 32, nr. 2, december 2018).

     
Krantenknipsel uit 1920, waarin de
ANWB voorstelt de nieuwe Rijksweg
over de Bedekte Weg te leiden
 

Het plan van 1917

Terzelfdertijd was de landelijke overheid onder energieke leiding van minister ir. C.W. Lely druk doende om het wegenverkeersnet te moderniseren. In 1916 werd daarbij bepaald dat ook de route van Amsterdam naar Amersfoort aanzienlijk zou worden verbeterd. Er moest een rijbaan komen van wel 7 m breed, met daarnaast een fietspad van 3 m en een voetpad van 2 m. De weg zou niet langer door de vestingen Muiden en Naarden lopen, maar daaromheen worden geleid. In het plan van Rijkswaterstaat uit 1917 zou de nieuwe weg niet langer langs de Naarder Trekvaart lopen, want daar was al te veel bebouwing, maar ongeveer 150 m ten zuiden daarvan. Bij Naarden zou de weg over, of liever gezegd, door de bastions Nieuw-Molen en Turfpoort worden geleid, om vervolgens aan te sluiten op de bestaande Amersfoortsestraatweg. De weg zou op die manier niet alleen een bres slaan in de vesting zelf, maar ook nog dwars door de Verboden Kringen ten westen en ten zuiden van Naarden lopen.

Het ministerie van Oorlog had er weinig oren naar. Inmiddels was de oorlog afgelopen en waren ook de ambities van het ministerie van Waterstaat aanzienlijk bekoeld. Niettemin liet de commandant van de Nieuwe Hollandse Waterlinie weten dat hij zich in het geheel niet in het plan kon vinden. Ook een alternatieve route, waarbij de nieuwe weg buiten de vesting om geleid zou worden, kon geen genade vinden in de ogen van de militairen:het daarin opgenomen viaduct over de tramweg ten zuidoosten van Naarden zou veel te hoog komen te liggen en het schootsveld belemmeren.

  

Een nieuw plan

Een tweede plan van Rijkswaterstaat plaatste de weg verder van de vesting, over een tracé dat uiteindelijk ook gerealiseerd zou worden en dat de weg langs de Galgesteeg (nu de Godelindeweg) leidde. Maar de militairen bleven ontevreden. De legertop en het ministerie van Oorlog konden het niet eens worden over de aanleg van verdedigingswerken en de hoogte van de bunkers.
Bovendien waren er plannen voor de aanleg van enkele sneltramwegen dwars door Goois natuurgebied. Die plannen werden door een volksopstand verijdeld. De problemen met de militairen werden in 1926 in een klap opgelost doordat de Vesting Naarden uit de Nieuwe Hollandse Waterlinie werd geschrapt – de vesting werd als militair bolwerk domweg opgeheven. En ten slotte kregen de Gooise gemeenten ook meer haast, want de verkeersdruk nam alleen maar toe en zou nog veel verder oplopen,nu er eindelijk weer gebouwd kon worden. Ondanks de nog steeds van kracht zijnde Vestingwet, waren de eerste huizen al in 1922 gebouwd langs de Godelindeweg: de houten Dudokvilla’s die daar nog steeds te vinden zijn. Er waren nog wat achterhoedegevechten tussen Naarden en Bussum over de hoogte van de brug over de Bussummervaart, maar in 1928 werd dan toch met de aanleg begonnen, en in de zomer van 1930 was het werk klaar.

 

     
 
Uiterst rechts de splitsing van de Amersfoortsestraatweg en
de nieuwe Rijksweg. Duidelijk te herkennen zijn het
Brediuskwartier en het Rembrandtkwartier met het Meertje
van Vlek. Foto Gooienvechthistorisch.

Van Rijksweg tot A1

Hoewel de nieuwe weg twee keer zo breed was als de oude, werd het verkeersprobleem er niet mee opgelost. Het gebruik van auto’s en bussen nam hand over hand toe en in 1939 werd de tramlijn langs de weg dan ook opgeofferd om het autoverkeer meer ruimte te geven.
In de jaren vijftig moest de weg verdubbeld worden.

In 1972 werd de Rijksweg opnieuw omgeleid, nu langs de oost- en noordzijde van Naarden, waar we hem na diverse verbredingen nog steeds aantreffen. De oude Rijksweg kon deels worden ontmanteld en werd de tweebaansweg, die er nu nog ligt en die voornamelijk dienst doet als op- en afrit voor de A1.

 

Bronnen

  • Het eerste deel van dit artikel is gebaseerd op het artikel van:Henk Schaftenaar, ‘Van Zandpad naar Rijksstraatweg. Een terugblik op de wagenweg van Naarden naar Amsterdam’, in: De Omroeper, jaargang 28, nr. 3, 2015
  • Voor het tweede deel is geput uit het artikel, van de hand van:dr. J.S. van Wieringen, ‘Verkeer en de Vesting: van vrienden tot vijanden’, in: De Omroeper, jaargang 11, nr. 2, 1998

 

 

Bussums Historisch Tijdschrift, jaargang 36, nummer 3 (december 2020), pag 32-33

Torenflat Naerdinclant

Nol Verhagen

      
 
Torenflat Naerdinclant bij de oplevering in 1964.
Foto Streekarchief Gooi en vechtstreek,
Gooienvechthistorisch.nl

Klik hier voor de PDFversie van dit artikel
De afbeeldingen zijn aanklikbaar voor vergroting

In april 1955 vergaderde de gemeenteraad van Naarden over het uitbreidingsplan voor het laatste stukje nog braakliggend terrein ten zuidwesten van Naarden, ingeklemd tussen de Rijksweg, Karnemelksloot, de Suikersloot en de Koningin Wilhelminalaan.

 

Vierhoven

Vierhoven moest de nieuwe wijk gaan heten, naar het ontwerp dat was gemaakt onder leiding van stedenbouwkundige prof. Wieger Bruin. Punt van discussie was of hoogbouw moest worden toegestaan. Het plan voorzag namelijk in enkele flatgebouwen, waaronder een flat van maar liefst 9 of 10 verdiepingen. Burgemeester Visser noemde dit ‘hoogbouw op bescheiden schaal’, en bovendien in maagdelijk terrein. Een verrijking van het silhouet van de gemeente, meende hij. Heel anders dus dan elders in het Gooi waar hoogbouw was toegestaan in villaparken. De torenflat zou echt iets bijzonders worden, met een dakterras vanwaar je een uniek uitzicht had over het Naardermeer, het IJsselmeer en het Gooi. Dat je dan vanaf al die plekken ook uitzicht had op de torenflat, moest daarbij maar voor lief worden genomen.

     
De Torenflat met rechts het Oranje-Nassaupark en links Vierhoven
Foto C. de Gooier, Gemeentearchief Gooise meren en Huizen,
Gooienvechthistorisch.nl
 

Entree van het Gooi

De gemeenteraad was verdeeld, maar de tegenstanders, de VVD-fractie en een lid van de PvdA-fractie verloren de stemming. En zo gebeurde het dat in een gebied waar tot dan toe alleen kerktorens boven de bomen en de huizen uitstaken, een 44 m hoog flatgebouw zou verrijzen. De entree van het Gooi zou niet langer worden gemarkeerd door de Grote Kerk van Naarden, maar door een flat aan de Graaf Willem den Oudelaan.

 

Twintig weken wachten op glas

In september 1962 volgde goedkeuring van het Rijk en kon met de bouw worden begonnen. Het eerlijk gezegd best fraaie ontwerp was van het Rotterdamse architectenbureau Maaskant. Uiteindelijk werd het gebouw bijna 42 m hoog en bevatte het 11 verdiepingen met ieder 4 woningen. De bouw ondervond nog wel enige tegenslag, want er was schaarste aan bouwmaterialen. Zo moest er 20 weken worden gewacht op glas. Bovendien was de stroomvoorziening voor de kraan ontoereikend doordat er geen hoogspanningsstation beschikbaar was. Maar in het eerste kwartaal van 1964 was het werk dan toch klaar en kon de verkoop beginnen.

Tegenvallende verkoop

De belangstelling voor de nieuwe woningen was groot, maar toch viel de verkoop nogal tegen. In juli 1965 waren nog maar 17 flats verkocht. De prijs varieerde afhankelijk van de grootte van de woning van f 65.000,- tot f 75.000,-, nu € 175.000,- tot € 200.000,-. Dat was toen veel geld en de rente was met 6,5% ook nog eens aan de hoge kant. De huizenmarkt was moeilijk, zodat aspirant-kopers ook niet makkelijk van hun oude huis af kwamen. Makelaar Koudijs besloot de leegstaande flats te huur aan te bieden.

 

Een nationale misdaad

De leegstand en de hoge prijzen waren een doorn in het oog van actiecomité Woningnood, dat het niet minder dan ‘een nationale misdaad’ noemde en een spandoek aan het gebouw bevestigde. Uiteindelijk raakten de flats toch bewoond. Momenteel worden ze zowel te koop als te huur aangeboden. De koopprijs bedraagt ongeveer € 230.000,- voor een woning van 78 m2; eenzelfde woning wordt verhuurd voor € 1375,- per maand.

 

Bronnen

 

Bussums Historisch Tijdschrift, jaargang 36, nummer 3 (december 2020), pag 34-36

Schrijvers die op het Willem zaten

Eric Bor

Klik hier voor de PDFversie van dit artikel
De afbeeldingen zijn aanklikbaar voor vergroting

Onder de duizenden leerlingen die in de loop van de afgelopen 100 jaar op het Willem de Zwijger College hebben gezeten, is – tot tevredenheid van hun leraren Nederlands – een aantal als schrijver bekend geworden. Hieronder aandacht voor enkelen van hen.

 

Paul Biegel (1925-2006)

Frederik van Eeden schreef in zijn dagboek op 4-12-1922 over het gezin Biegel: ‘Een gelukkig gezin. Acht kinderen, allen gezond en mooi. Innige liefde onder elkaaren vrede […] Een van de weinige katholieke gezinnen met hoge beschaving in Bussum.’ En op 14-3- 1923: ‘Ik was bij mevrouw Biegel-Povel, in het gelukkige roomse gezin. Een echt lieve vrouw. Ze klaagde over de scheidsmuur tussen rooms en niet-rooms. En toch voelde ze de noodzaak, met het oog op de gevaren van gemengde huwelijken.’

Paul was het negende en laatste kind. Zijn grootvader was de bouwmagnaat Joseph Biegel, naar wie de Kom van Biegel is vernoemd. De katholieke Paul ging naar het Christelijk Lyceum, het latere Willem de Zwijger College. Hij beschreef in zijn debuutverhaal* hoe hij tijdens de oorlog als negentienjarige zesdeklasser vermomd als vrouw op bezoek ging bij een ondergedoken vriend om samen muziek te maken: ‘Mijn gezicht moet verbleekt zijn onder de rouge, telkens wanneer we langs Duitsche soldaten kwamen, en mijn hoofddoek gleed een keer bijna af, maar toch was ik in staat de vreemde gewaarwording te realiseren dat niemand je nakijkt, ofschoon je je heel mal uitgedost voelt. We bereikten behouden het doel, en het gezicht van mijn vriend was onbetaalbaar. Ik wreef mijn rouge af, hij stemde de cello, en al spelend vergaten we de buitenwereld en hadden alleen nog maar aandacht voor de moeilijkheden in de sonate. Maar midden in de hoogere sferen van het adagio stuift de dochter des huizes binnen: “Jongens, moffen!” Weg Beethoven, weg cello, naar de schuilplaats op zolder. Een heerenhoed verdwijnt achter in de kast, scheergerei is altijd al verstopt. We klimmen in een gat in de vliering, luik dicht, klem erop, en daar zitten we, in een aardedonker hok, waar ik nooit eerder in ben geweest.’

Later werd Biegel bekend als kinderboekenschrijver. Zijn werk leverde hem onder meer twee Gouden Griffels en vier Zilveren Griffels op. Hij overleed in 2006.

*Paul Biegel, ‘Mannen van “Gevaarlijken Leeftijd” Avontuurlijke Herinnering aan 1944’, in: The Knickerbocker Weekly, 2-9-1946

 

Rudolf Geel (1941)

Toen Rudolf Geel in de vierde klas zat, schreef hij in de schoolkrant Climax, behalve stukjes over jazz, bijzonder experimenteel proza, geïnspireerd op Het boek ik (1951) van Bert Schierbeek. Hij leverde dergelijk proza ook in als opstel, maar zijn lerares Nederlands kon dat niet waarderen: hij kreeg er steevast een onvoldoende voor. Toen in zijn verhaal in de Climax op een keer een gedachte aan schaars geklede jongedames voorkwam, werd hij terstond uit de redactie gezet.

Nadat hij voor zijn examen geslaagd was, ging hij Nederlands studeren en schreef hij zijn frustraties van zich af in de autobiografische sleutelroman De weerspannige naaktschrijver (1965), waarvan het middelste deel zich afspeelt op het ‘Vader des Vaderlands College’. Rudolf werd wetenschappelijk medewerker aan de Universiteit van Amsterdam, was van 1968 tot 1982 redacteur van De Gids en schreef behalve zijn wetenschappelijk werk talrijke romans en verhalenbundels.

Geel maakt zich regelmatig boos over de achteloze wijze waarop met het Bussums erfgoed wordt omgegaan.* Zo schreef hij in 1990: ‘Stoeten burgemeesters, wethouders, gemeenteraadsleden en pressiegroepen hebben Bussum veranderd in een onpersoonlijk randstedelijk woongebied. De hei is niet veel groter meer dan het perk waarin men zijn honden uitlaat en graafmachines hebben de laatste vogelbroedgebieden bouwrijp en dus levenloos gemaakt. Vrolijk is het allang niet meer in Bussum. Komende generaties zullen het ons aanrekenen dat wij ons niet tegen de verloedering hebben verdedigd, dat wij het hebben toegelaten toen het Spieghel werd ontsierd met afzichtelijke flatgebouwen, fantasieloze scholen, detonerende bungalows. Zij zullen ons erom nawijzen dat wij geen visie hebben getoond.’

 *Rudolf Geel, ‘De Gooise uitdragerij’, in: Annetje Schölvinck-Stork, Geletterd Bussum, Naarden 1990

 

Frans Willem Verbaas

Toen Frans Willem Verbaas op het Willem de Zwijger College zat, woonde hij in Almere-Haven. Na het behalen van zijn eindexamen in 1980 ging hij theologie studeren. In 1982 debuteerde hij in het blad Plug (uitgave van de Stichting Cultureel Jongeren Paspoort) met het verhaal ‘Over de realiteit in de wereld’. De locatie van het verhaal is heel herkenbaar: ‘Met een zinloos gevoel keek ik rond, over het stationsplein, dat in de vier jaar dat ik hier al op de bus wachtte niets was veranderd; het station, de bomen, de bushaltes, de aan het plein grenzende villa’s, die als kantoren werden gebruikt, de sigarenzaak, de damesmodezaak en de snackbar. Alles al vier jaar hetzelfde. Op de snackbar bleven mijn ogen rusten […] Nergens had ik ooit zo’n echte snackbar gezien als aan het stationsplein te Bussum.’

Daarna hoorden we heel langs niets van Frans. Hij werd predikant en schreef artikelen in het Friesch Dagblad en Hervormd Nederland. In 2005 won hij de verhalenwedstrijd van het Nederlands Dagblad en in 2006 volgde zijn eerste roman: Sneeuw in Afrika. Sindsdien verschenen verscheidene romans.

 

Liz Ditters (1967)

Op het Willem de Zwijger College was tekenen het favoriete vak van Liz Ditters. Het verbaasde dan ook niemand dat zij ging studeren aan de Academie voor Beeldende Vorming in Tilburg. Daarna maakte ze onder andere illustraties voor agenda’s en kalenders.

In 2012 verscheen een fraai door haar zelf geïllustreerd boekje voor peuters: Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet. Nu verschijnen er regelmatig gedichten van haar in het tijdschrift Dichter (gedichten voor kinderen van 6 tot 106, Uitgeverij Plint). Voor het themanummer Vriendschap (kinderboekenweek 2018) schreef ze het gedicht ‘Sorry’, dat ook als Plintposter is verschenen. Het gedicht op blz. 35 is een hommage aan de favoriete schrijver uit haar jeugd, Paul Biegel. Het is speciaal voor deze gelegenheid geschreven.

 

Floortje Peneder (1977)

Op twaalfjarige leeftijd kreeg de net op het Willem de Zwijger College ingeschreven Floortje Peneder leukemie. ‘Zondag 13 augustus 1989. Het is nu 5 uur ’s nachts, maar ik wil wel even vertellen wat ik heb. Ik heb dus te weinig rode bloedcellen en te weinig bloedplaatjes en te veel verkeerde witte bloedcellen. Dat alles bij elkaar heet leukemie.’

Tussen verschillende behandelingen in het ziekenhuis leek de ziekte steeds even weg en ging zij naar school, maar de ziekte won uiteindelijk. Op 2 maart 1993 overleed Floortje. De laatste woorden in haar dagboek schreef zij drie dagen eerder. Het is een testament:
‘Al mijn spulletjes gaan naar Geertje [haar zus E.B.]. Flapoor gaat naar mijn ouders. Mijn grootste wens is dat mijn gedichten worden uitgegeven. Opdat mensen het misschien wat beter begrijpen.’ 

Floortjes ouders hebben haar wens vervuld. Haar gedichten staan tussen fragmenten van haar dagboek in het boek Het dagboek van Floortje Peneder, dat precies een jaar na haar dood verscheen. Het boek, dat naderhand ook in het Duits en in het Turks uitkwam, is door zeer velen gelezen.

 

Philip Huff (1984)

Philip Huff studeerde na het doorlopen van het Willem de Zwijger College filosofie en geschiedenis in Amsterdam en Berlijn. Hij publiceerde verhalen en essays in het Nederlands en in het Engels in tal van binnen- en buitenlandse tijdschriften.

Zijn debuutroman Dagen van gras verscheen in 2009. De hoofdpersoon is een jongen van achttien die probeert grip op zijn leven te krijgen, maar verslaafd raakt aan wiet en paddo’s. Beschrijving van een paddotrip: ‘Je voelt de behoefte je ervaring over te brengen. Dus begin je te praten. Je zegt: “Abrikoos”, en je houdt een kleine schelp omhoog. Je spreekt over de kleur van die schelp; een schelp die eerst dof was maar nu is opgelicht tot een glimmende, gloeiende abrikoos. Ook de textuur is veranderd: de kalk is een wollige stof vol pluisjes geworden. Woldraden die gloeien.’
Muziek speelt een grote rol in het boek, bijvoorbeeld als ‘While my guitar gently weeps’ opklinkt: ‘Met z’n drieën golven we mee met de Beatles: mijn vader, Tom en ik. We zijn een ei, een gouden ei, een ei zoals het ei van mijn grootvader, en we glijden door de ruimte. We zijn muziek, we zijn maat en melodie, we zijn de trillingen die van de snaren van Clapton afkomen. We zijn de stem van George Harrison. We zijn samen in het geluid. We zijn een.’

Na dit debuut schreef Huff nog vier boeken. Hij schreef daarnaast verscheidene filmscenario’s, ook voor de korte film ‘Bosrandgeluk’ (2020), die hij zelf regisseerde. Hij woont afwisselend in New York en Amsterdam.

 

Bronnen

 

Bussums Historisch Tijdschrift, jaargang 36, nummer 3 (december 2020), pag 37-39

Een kleine geschiedenis van het openbaar onderwijs in Bussum

Nol Verhagen

Klik hier voor de PDFversie van dit artikel

 

Aan het eind van de 19de en het begin van de 20ste eeuw beschouwde de gemeente het als haar plicht om voor goed (openbaar) onderwijs te zorgen. Op dat moment waren er (behalve het katholieke internaat in het klooster Mariënburg) in Bussum vrijwel alleen particuliere scholen, zoals Instituut Gooiland, Instituut Roodhuyzen, Instituut Brandsma en Instituut Nova. Zie voor een uitvoeriger inventarisatie het artikel ‘Naar school in Bussum’ in het Bussums Historisch Tijdschrift jrg. 34, nr. 1, mei 2018.

 

Openbaar onderwijs in iedere wijk

De gemeente richtte achtereenvolgens de Koning Willemschool (1886) op, de Koningin Wilhelminaschool (1899), de Prins Hendrikschool (1905), thans Vondelschool, en de Koningin Emmaschool (1915). In 1924 volgden nog School D (later Prinses Marijkeschool en nog later De Linde) en in 1933 School G (later de Jan Ligthartschool). De gemeente volgde daarmee in grote lijnen de ontwikkeling van het dorp, zodat in elke wijk een openbare school beschikbaar was. Na de Tweede Wereldoorlog, toen de Wester- en de Oostereng werden volgebouwd, volgden ook daar openbare scholen: de Prinses Margrietschool in de Westereng (1959) en de Frederik van Eedenschool in de Oostereng (1967). In totaal zijn dat 8 scholen, waarvan er nu nog maar één over is, de Emmaschool.

Ik sprak met Ellen Groten en Hans den Breejen over de teloorgang van het openbaar onderwijs in Bussum. Beiden waren betrokken bij de in 1983 opgerichte Bestuurscommissie Openbaar Onderwijs (BOO), die namens de gemeente het bestuur en het beheer voerde over het op dat moment resterende openbaar onderwijs in Bussum. Dat was toen al gereduceerd tot de Emmaschool (in de noordelijke rand van het Spiegel), De Linde (in het Godelindekwartier), de Frederik van Eedenschool in de Oostereng en de Koningin Wilhelminaschool en de Prinses Margrietschool in de Westereng. Hans den Breejen was van 1988 tot 1997 voorzitter van de BOO en Ellen Groten was beleidsambtenaar Onderwijs bij de gemeente en later secretaris van de BOO.

 

De opkomst van confessionele en bijzonder-neutrale scholen

De geschiedenis van het openbaar onderwijs in Bussum wordt gekenmerkt door een gestage afkalving van het aantal openbare scholen, in een periode waarin de bevolking alleen maar in omvang toenam, tot wel 40.000 inwoners in de jaren zeventig. De Koning Willemschool in het centrum was al in 1924 gesloten, waarna het gebouw werd gebruikt als Ambachtsschool. In 1950 was de Jan Ligthartschool omgevormd tot een school voor individueel onderwijs (Indon). De sluiting van die scholen was het gevolg van teruglopende leerlingenaantallen.

De oorzaak daarvan was dat het openbaar onderwijs steeds meer concurrentie kreeg van andere scholen, te beginnen met de katholieke scholen. De katholieke kerk in Bussum breidde zich uit van één parochie tot wel vier parochies, met ieder hun eigen kerk en ieder hun eigen jongens- en meisjesschool: de St.-Vituskerk, de Koepelkerk, de Heilig Hartkerk en de Jozefkerk. De hiervoor genoemde particuliere instituten ontwikkelden zich tot ‘gewone’ protestantschristelijke scholen.

Daarnaast ontstond in Bussum een aantal scholen met een eigen pedagogisch programma, met als meest in het oog springend het Montessorionderwijs. Al vanaf 1915 bestond er een vorm van Montessorionderwijs, dat uiteindelijk zou resulteren in twee Montessorischolen (katholiek en neutraal) respectievelijk aan de Johannes Verhulstlaan en de Busken Huëtlaan. In de jaren zeventig was daar de antroposofische Vrije School Michaël bijgekomen. Al deze bijzondere scholen ontstonden op initiatief van ouders en leerkrachten die zelf baas over het onderwijs en de school wilden zijn. Niet toevallig natuurlijk, in een gemeente met een relatief hoog percentage hoogopgeleide, eigenzinnige en soms ook eigenwijze inwoners.

     
  Toch heeft ook de BOO de afkalving van het openbaar onderwijs in Bussum niet kunnen tegengaan  
     

Het openbaar onderwijs in de knel

Het openbaar onderwijs trok in deze concurrentiestrijd in twee opzichten aan het kortste eind. In de eerste plaats beschikten de niet-openbare scholen via de ouderlijke bijdrage over soms aanzienlijke financiële middelen om leuke dingen mee te doen. De gemeente was door het principe van financiële gelijkstelling eigenlijk aan handen en voeten gebonden: iedere extra-financiële bijdrage die de gemeente aan het openbaar onderwijs uitgaf, moest naar rato ook aan de andere scholen worden gegeven. En er mocht geen ouderlijke bijdrage van enige importantie worden gevraagd, vrijwillig of niet. Daarmee kwam het openbaar onderwijs dus op materiële achterstand te staan.

Daarnaast stond de gemeente als schoolbestuur ongewild op grotere afstand van ‘haar’ scholen dan de besturen van de overige scholen, die immers werden gevormd door ouders of vertegenwoordigers van kerken of genootschappen die de scholen hadden opgericht. Waar die besturen onbekommerd de belangen van hun eigen school konden behartigen, moest de gemeente vanwege haar onpartijdigheid juist de uiterste terughoudendheid betrachten wanneer het om het openbaar onderwijs ging. Bovendien was het onderwijs voor de gemeente maar een van de vele beleidsgebieden die om aandacht vroegen.

Dat laatste probleem werd in zekere zin opgelost door de instelling van de BOO, die weliswaar niet als bevoegd gezag voor de openbare scholen kon optreden, maar die wel een omvangrijk pakket uitvoerende taken en bevoegdheden kreeg toebedeeld. Zo kwam er in elk geval een instantie die dichter bij de ouders en de leerkrachten stond dan het per definitie wat logge gemeentelijk apparaat en die beter voor de belangen van het openbaar onderwijs kon opkomen dan de gemeente zelf.
Bussum was een van de eerste gemeenten in Nederland die voor deze oplossing koos, een keuze die in de loop van de tijd veel navolging heeft gekregen in andere gemeenten. Hans den Breejen vertelt dat hij in de jaren negentig, dus geruime tijd na de oprichting van de BOO, nog geregeld in het land lezingen gaf over de in Bussum gekozen constructie.

 

Ouders en leerkrachten aan de macht

Toch heeft ook de BOO de afkalving van het openbaar onderwijs in Bussum niet kunnen tegengaan. Het was al in de jaren zestig begonnen met de ‘uitbraak’ van de Prins Hendrikschool uit het openbaar onderwijsstelsel. Lees hierover mijn artikel ‘Van Prins Hendrik naar Vondel’ in BHT nr.1, mei 2018.
Het kwam erop neer dat de leerkrachten en de ouders de gemeente dwongen de Prins Hendrikschool de status bijzonder-neutraal toe te kennen, waardoor zij af waren van de directe bemoeienis van de gemeente. De school werd vervolgens Vondelschool gedoopt. Pikant detail is dat een deel van het onderwijzend personeel tien jaar later een tweede coup pleegde door met een deel van de ouders en de leerlingen uit de Vondelschool te treden en de Vrije School Michaël op te richten.

 

Verarming en verkleuring van de openbare scholen

De resterende openbare scholen werden allengs steeds meer de arme broertjes en zusjes van de bijzondere scholen en trokken steeds minder leerlingen, die vaak afkomstig waren uit minderdraagkrachtige gezinnen die de hoge ouderlijke bijdragen niet konden of wilden betalen, én uit gezinnen van migranten. Het openbaar onderwijs verarmde en verkleurde daardoor, wat – zoals bekend – een zichzelf versterkend proces is. Het gevolg was dat er een gestage trek ontstond van de openbare naar de bijzondere scholen in de buurt, bijvoorbeeld van De Linde naar de nabijgelegen katholieke school de Hoeksteen. Aan de zuidkant van Bussum was de Koningin Wilhelminaschool aan de Brinklaan al in 1954 verhuisd naar de Westereng. Daar werden aanvankelijk nog twee openbare scholen bijgebouwd om de babyboom te kunnen opvangen, maar die moesten – toen het aantal leerlingen terugliep – betrekkelijk snel weer worden gesloten: de Frederik van Eedenschool in 1978 en de Prinses Margrietschool in 1984. Uiteindelijk resteerde alleen de Koningin Wilhelminaschool aan de Tromplaan, die in de jaren negentig fuseerde met De Linde en verder ging onder de naam De Ruyterschool. Die fuseerde op zijn beurt weer met de van oorsprong katholieke Jenaplanschool de Jaarring. Maar ten slotte is ook die ten onder gegaan in het conglomeraat van de Brede School aan de Akkerlaan. Dat de Emmaschool in het Spiegel het als enige openbare school wel heeft gered, komt waarschijnlijk doordat die gelegen is een welgestelde buurt, waar de eerder gesignaleerde verarming en verkleuring is uitgebleven.

 

Vechten tegen de bierkaai?

Op mijn vraag aan Groten en Den Breejen of zij niet vaak het gevoel hadden tegen de bierkaai te vechten, antwoordden beiden bevestigend. Maar de bierkaai werd niet, zoals vaak wordt gedacht, gevormd door een gemeente die zich niets aan het openbaar onderwijs gelegen liet liggen, maar door maatschappelijke ontwikkelingen, die zich ook elders in ons land hebben voorgedaan. In een welgestelde omgeving als Bussum deden die zich des te sterker voelen. Inmiddels hebben veel openbare scholen overal in Nederland een zelfstandig bestuur. Dit is ook het geval bij de openbare basisscholen in Gooise Meren (en omgeving). Deze maken alle deel uit van de Stichting Basisonderwijs Gooi en Vechtstreek, met de werkwerknaam 'Talent Primair’. De gemeenteraad heeft voor het openbaar onderwijs een (op afstand) toezichthoudende rol.

 

 

Bussums Historisch Tijdschrift, jaargang 36, nummer 3 (december 2020), pag 40-43

Willem Cornelis Bauer: Nederlandse architect en Amerikaanse kunstschilder

Eric Bor

        
 
 Portret van Willem Bauer

Klik hier voor de PDF versie van dit artikel
De afbeeldingen zijn aanklikbaar voor vergroting

 

In Nederland is Willem Bauer bekend als de architect van de kolonie Walden. Hij ontwierp hutten op Walden en villa’s in Bussum voor familie en vrienden van Frederik van Eeden, waaronder een villa voor Jo Bonger, de schoonzus van Vincent van Gogh. Deze villa kwam onlangs in het nieuws vanwege plannen om hem te slopen. Diverse erfgoedinstanties, waaronder de Historische Kring Bussum, zijn daartegen in het geweer gekomen. In Amerika is Bauer vooral bekend om zijn aquarellen van landschappen in New Jersey. Zijn schilderijen worden daar voor flinke prijzen verhandeld en er zijn ook reproducties en ansichtkaarten van te koop.

 

Wilhelmus Cornelis Bauer werd geboren op 31 juli 1862 in Den Haag. Zijn vader, George Hendrik Bauer, was decorateur Verpoorten, kwam uit een schildersfamilie. De kinderen Bauer leerden allemaal al vroeg tekenen. Willems zes jaar jongere broer Marius zou uitgroeien tot een bekende Nederlandse schilder, hij was een studiegenoot en vriend van George Breitner.

     
W.C. Bauer – Christmas Morning
 

Willem ging studeren aan de Academie voor Beeldende Kunst in Den Haag, zijn studiegenoten waren onder anderen Willem Kromhout en de jonge Karel de Bazel. Al op zijn vijftiende verbleef hij een jaar in Amerika: in het stadje Elisabeth (New Jersey) aan de oostkust van Amerika, op 30 km afstand van New York.

Tussen 1880 en 1892 verbleef hij verscheidene keren voor langere tijd opnieuw in Elisabeth. Hij maakte aquarellen en litho’s van het landschap van New Jersey, die goed verkocht werden. Zijn schilderijen werden tentoongesteld door de Salmagundi Club in New York, de Brooklyn Art Association in Brooklyn, de Boston Art Club in Boston, de National Academy of Design in New York en de Pennsylvania Academy of the Fine Arts in Philadelphia.

 

Reis door Europa

     
 
Ontwerp voor een theater in Byzantijnse stijl, 1891

In 1887 maakte Willem met zijn ouders een reis naar België, Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk en Italië. Hij publiceerde reisverslagen in het Bouwkundig Weekblad en nam met zijn reisschetsen deel aan tentoonstellingen van de Maatschappij tot bevordering van de Bouwkunst.

Hij werd in 1888 lid van het genootschap Architectura et Amicitia en schreef kritieken in het tijdschrift De Opmerker van dat genootschap. Hij maakte indrukwekkende ontwerpen voor diverse prijsvragen, waarin duidelijk de grote invloed tot uiting kwam die met name de architectuur van de San Marco in Venetië op hem heeft gehad. Hij werd ook beïnvloed door de schetsen die zijn broer Marius hem in zijn brieven uit onder andere Constantinopel, Rusland, Egypte en Java zond.

Socialisme

Net als veel van zijn tijdgenoten had hij hoge verwachtingen van het socialisme. In zijn rede ‘Kunst en Hervorming’ (een studie) voor de vergadering van het genootschap Architectura et Amicitia zei hij in 1891, dat de ideeën van het socialisme terugkomen in de kunst: ‘Deze wordt niet meer beheerscht door eene prachtlievende, oververfijnde beschaving; zij gaat niet meer gebukt onder de druk van een fanatiek geloof; zij wordt niet geïnspireerd door eene reine godsdienstige vereering, maar heeft zich, als de geheele samenleving, van alle banden losgemaakt, en, zich de richting bewust, welke zij te volgen heeft, schrijdt zij voorwaarts, strevend naar datgene wat het Socialisme tracht te bereiken: de verheffing en vereering van het Individualisme. De mensch, niet als een deel van het groote raderwerk, maar de mensch als een geheel, als een zelfstandig organisme, vrij van onnatuurlijke dwang […]’ Verheven bewoordingen die getuigen van een opmerkelijke interpretatie van het socialisme, die overigens gedeeld werd door de Engelse schrijver en dandy Oscar Wilde.

 
De hut van Bauer op Walden
      

Zijn kunst omschrijft hij in het blad Architectura (de opvolger van De Opmerker) in 1894 als volgt: ‘Een kunst die schoon zal zijn als de geur van de heidebloem na een drukkenden dag, weelderig als de roos, zich ontbottende in de eerste zomerdagen, machtig als een zomerwoud en fijn als de vlinder die den rupsvorm heeft afgelegd, tintelend van leven als de jubelende zang van den vrijen vogel.’ Bauer geloofde in ‘het welzijn van allen dat moet worden bereikt. Dan zullen zij paleizen bouwen om de omgeving te laten deelen in het geluk van het leven, die armen, die zoveel eeuwen het leven niet kenden en eindelijk de schoonheid ervan zien […] En deze gebouwen zullen schoon zijn en edel. En die kunst zal rijk zijn, machtig rijk. Dat is de kunst die komen zal! Architect! Maakt dat gij gereed zijt!’ Voor de hedendaagse lezer zullen deze bewoordingen wat geëxalteerd aandoen, maar zulk taalgebruik was in die tijd niet ongewoon.

Waardering voor zijn werk

      
 
 De Lelie in 1905, Nieuwe ’s-Gravelandseweg 86

Zijn ontwerpen werden door de Architectura-architecten bewonderd. Zo schreef het Bouwkundig Weekblad over het ontwerp voor een theater uit 1892: ‘De inzending van Bauer is op originele wijze eclectisch. In de details zijn Islamitische, flamboyante en Byzantijnse motieven te herkennen. Voor een tijdgenoot lijkt dit ontwerp een Oostersch paleis uit Duizend en één nacht, een paleis van Alladin, gebouwd van porfyr en agaat en getooid met kostbare steenen.’

De vakjury’s waren minder enthousiast over zijn ontwerpen. Zij noemden hem ‘uit zijn eeuw gevallen’, maar bedoelden waarschijnlijk dat de tijd van Pierre Cuypers met zijn creatieve ontwerpen van het Centraal Station, het Rijksmuseum en tal van neogotische kerken voorbij was. 

Dat zijn ontwerpen niet uitgevoerd werden, lag ongetwijfeld ook aan hem zelf. Anderen, zoals Kromhout of Berlage, waren bereid hun ontwerpen aan te passen aan de wensen van de jury’s. Daar was Bauer de man niet naar. Hij was zeer overtuigd van zijn eigen kwaliteiten en weigerde te buigen voor wie dan ook. Toen Hendrik Berlage hem in 1896 vroeg delen van het ontwerp van de in Amsterdam te bouwen Beurs voor zijn rekening te nemen, weigerde hij hooghartig.

 

      
 
De Maerle in 1909, Nieuwe ’s-Gravelandseweg 77

Op Walden

In 1897 begon Bauer te lijden aan depressies, veroorzaakt door niet-behandelde syfilis. Zo kwam hij als patiënt bij psychiater Frederik van Eeden terecht. Toen Van Eeden in 1898 de kolonie Walden stichtte op het terrein van villa Cruijsbergen in Bussum, vroeg hij Willem Bauer om hutten te ontwerpen naar het voorbeeld van de hut van Henry David Thoreau. Bauer betrok zelf ook een hut in de kolonie van Van Eeden.

Omdat de vrouw en de zonen van Van Eeden er niet voor voelden in een sobere hut te gaan leven, moest Bauer voor hen een villa op het terrein ontwerpen. Dit werd De Lelie (Nieuwe ’s-Gravelandseweg 86). Betsy Hoogstraten van Hoytema, een (al dan niet platonische) vriendin van Van Eeden, liet eveneens een door Bauer ontworpen villa nabij Walden bouwen: De Maerle (de merel), Nieuwe ’s-Gravelandseweg 77. Ook voor Truida Everts, die Van Eedens tweede vrouw zou worden, en voor timmerman Willem van Riet ontwierp Bauer villaatjes. In 1901 ontwierp hij de villa voor Jo Bongers op Regentesselaan 39. Opvallend is dat hij voor de villa’s heldere kleuren als uitdrukkingsmiddel koos en niet, zoals veel tijdgenoten, het bouwmateriaal het aanzien liet bepalen.

 

Aerdenhout

Zijn broer Marius en diens vriend George Breitner voelden ook wel wat voor een Bauervilla: hun villa’s zouden in Aerdenhout verrijzen. Tevens liet Betsy Hoogstraten van Hoytema in Aerdenhout nog een door Willem Bauer ontworpen villa neerzetten: De Merelhof. Betsy Witsen-van Vloten volgde haar voorbeeld. Bauer heeft in Aerdenhout nog een villa ontworpen, maar voor wie die gebouwd is, is vooralsnog onbekend.

          
Villa voor George Breitner in Aerdenhout
 
Villa De Merelhof in Aerdenhout

 

Bauers dood

De depressies werden niet minder en Willem begon ook verlammingsverschijnselen te krijgen. Op 30 september 1904 trof Frederik van Eeden hem dood aan: ‘Zondag ging ik de arme W.B. opzoeken en vond hem opgehangen in het tuinschuurtje. Arme, fijne, gevoelige man met zijn groote gaven. Het was een lugubere vlek in dit blije, hoopvolle, levenrijke voorjaar [sic]. Maar ik ben niet gedeprimeerd.’

De betekenis van de Architectura-groep voor de ontwikkeling van de architectuur is groot geweest. De architecten Bauer, De Bazel, Kromhout, Lauweriks en Walenkamp waren de ware opvolgers van Cuypers. Zonder hen zou de architectuurfantasie – een noodzakelijke correctie op de functionalistische architectuur, die zich aanpaste aan de belangen van de opdrachtgever – wellicht verloren zijn gegaan.

 

Bronnen

  • C. de Jong e.a. Nooit gebouwd; Architectura, Nederlandse architectuur 18993-1918 (uitgave van het Architectuur Museum)
  • de tijdschriften Bouwkundig Weekblad, De Opmerker en Architectura
  • fineartdatabase.org
  • andrewcrusack.com
  • fineartamerica.com
  • Historische Kring Bussum en Stichting Ons Bloemendaal.

 

 

Actueel

Fusie archiefdiensten in aantocht

   
 

De archieven van Gooise Meren /Huizen -met de vestiging in Naarden Vesting- en het Streekarchief Gooi en Vechtstreek in Hilversum, dat voor Hilversum, Wijdemeren, Laren en Blaricum archieftaken uitvoert, gaan fuseren. Dat meldt Bussums Nieuws Extra op basis van een collegebrief van wethouder Geert-Jan Hendriks aan de gemeenteraad van Gooise Meren. Volgens hem blijkt de schaalgrootte van de afzonderlijk archiefdiensten niet meer passend voor de opgaven waar het archief tegenwoordig voor staat, zoals het digitaal opslaan en beheren in een E-depot. 'Het onderzoek naar deze optie laat weinig ruimte voor twijfel: fuseren is een uitgelezen kans om te komen tot een robuuste organisatie die beter toegerust is voor de opgaven van de archiefdiensten'  staat in de brief.

Lees meer...

Foto van de maand

Juni 2022

Dit is de Groot Hertoginnelaan, vermoedelijk jaren ’20 of ‘30 van de vorige eeuw. Wat opvalt is de rust, die de foto uitstraalt. Een groot contrast met al het verkeer dat nu door de laan rijdt. De kinderen konden toen hier nog op straat spelen. We zien drie grote villa’s, waarvan er enkelen nu ook nog moeten staan, maar door de huidige begroeiing aan het oog zijn onttrokken. Kunt u ons vertellen welke dat zijn en welke huisnummers het betreft? Uw reactie gaarne naar Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. 

HKB Nieuws

Excursie grafheuvels

Vrijdagmiddag 10 juni maakte een groep vrijwilligers van de Historische Kring Bussum  en andere belangstellenden een ontdekkingstocht naar de grafheuvels in het heidegebied tussen Bussum en Hilversum. Dit onder leiding van Sander Koopman van de archeologenvereniging ANW Naerdincklant. De excursie betekende een pittige wandeling van ruim twee uur over de Bussumerheide en de Westerheide. Daarbij werden de grafheuvels bekeken, het gebied met het urnenveld en de Lange Heul, met de plaats van een verdwenen middeleeuwse boerderij, waar ook een grafheuvel heeft gelegen.

Lees meer...

We hebben 129 gasten en geen leden online