Home
Open Menu

Bussums Historisch Tijdschrift 29/2 (augustus 2013) pag. 26-33


De macht onder dak - politiebureaus en kazernes in Bussum

Jaap van Welsen

Klik hier voor de pdf-versie van dit artikel.
Onderstaande illustraties zijn aanklikbaar voor een vergroting.

Als een van de middelen om gezag uit te oefenen, bezit de overheid het geweldsmonopolie, dat zich manifesteert in politie en krijgsmacht. Beide lieten in Bussum sporen achter (politiebureaus en kazernes), die als monumenten bestempeld kunnen worden, voor zover ze nog bestaan. Helaas is Bussum niet zuinig geweest op zijn monumenten. Het gevolg is dat van deze monumenten alleen de Palmkazerne is overgebleven. Dit artikel gaat vooral over deze kazerne, als een voorbeeld van de architectuur in de eerste helft van de vorige eeuw. Maar wij willen eerst aandacht schenken aan de verdwenen gebouwen, die onderdak boden aan politie en krijgsmacht.

 

De politiebureaus

      
 
Politiebureau Huizerweg 28 hoek Sint Janslaan (coll. HKB)

De gemeente Bussum had tot het eind van de vorige eeuw een eigen politiekorps. Het vond op verschillende adressen onderdak: aan de Huizerweg 28 (hoek Sint Janslaan), aan de Brinklaan nr. 87, bij het toenmalige gemeentehuis, en op nr. 136 in Villa Looverhof en vanaf 1972 tot 1994 in een inmiddels al weer gesloopte nieuwbouw daarnaast.

      
Villa Looverhof diende tot 1972 als politiebureau
(coll. HKB)
 

Na een reorganisatie van de politie in 1994, toen de gemeentelijke politiekorpsen plaats maakten voor een gewestelijke politie, vertrok de Bussumse eenheid naar een bureau aan de Amersfoortsestraatweg in Naarden.

 

De marechausseekazerne

Bussum had van 1922 tot 1992 nog een ander politiekorps binnen zijn grenzen: de brigade Bussum van de Koninklijke Marechaussee. Deze was gelegerd in een speciaal voor haar gebouwde kazerne aan de Hooftlaan.

       
 
Marechausseekazerne aan de Hooftlaan (coll. HKB)

Dit korps behoorde tot het leger, maar had tot 1940 een civiele politietaak buiten het gezagsgebied van de gemeentepolitie. Het was, naar het voorbeeld van de Franse gendarmerie, op militaire leest geschoeid. Kenmerkend was dat het bereden was (dat wil zeggen dat het dienst deed te paard), dat er getweeën gepatrouilleerd werd en dat het personeel, ook de gehuwden, in kazernes woonde. Vanaf de jaren dertig van de vorige eeuw werd een deel van de marechaussees onbereden en met fietsen uitgerust.

Na 1945 werd deze politietaak overgeheveld naar het nieuwe korps Rijkspolitie. De marechaussee werd een zuiver militaire politie voor de krijgsmacht. Toen in de tachtiger jaren de kazerne aan de Hooftlaan allerlei gebreken kreeg, betrok de brigade in 1992 een nieuwe kazerne in de gemeente Hilversum nabij Crailoo. Hierdoor veranderde haar naam in Brigade Hilversum. De brigade is inmiddels opgeheven. De kazerne aan de Hooftlaan is in 2004 gesloopt. Het terrein is thans een deel van een complex voor geestelijke gezondheidszorg, met groepswoningen en zorgvoorzieningen.

 

Ontwikkeling van de kazernebouw

De beschrijving van de Bussumse kazerne laten we voorafgaan door een historische schets van de ontwikkeling van de kazernebouw.

Vanaf de middeleeuwen werd de oorlogvoering steeds meer beheerst door huurlingenlegers. Zij werden voor een veldtocht geworven en vonden onderdak in tenten of vestingen. De oorlogvoering speelde zich voornamelijk af in de zomer. ’s Winters werden troepen afgedankt en was dus geen behoefte aan logies. In de zestiende eeuw vond het stelsel van staande legers ingang: troepen die voor langere tijd werden geworven. Deze moesten dus ook tussen de veldtochten worden ondergebracht. Dit gebeurde in vestingsteden. In kleinere vestingen werden zij ingekwartierd bij burgers of in hutten of sobere, semipermanente barakken. In grotere vestingen werden barakken gebouwd, of werden de soldaten ondergebracht in wachthuizen en leegstaande gebouwen zoals kloosters.

      
Het nieuwgebouwde politiebureau Brinklaan 136 (coll. HKB)
 

In 1685 droeg de Franse koning Lodewijk XIV zijn vestingbouwkundige Vauban op een kazerne te ontwerpen die algemene toepassing zou kunnen vinden. Het resultaat was een imponerend langgerekt gebouw, dat door zijn architectuur macht en kracht uitstraalde. Deze kazernes van het lineaire type werden later in Nederland vaak in carrévorm gebouwd rond een binnenplaats. Dit vond toepassing in veel Europese landen.Het gevolg van dit ontwerp was dat de aan die zogenaamde ‛cour’ grenzende lokalen weinig lucht, licht en zonnewarmte ontvingen.

     
 
 8e Depotbataljon betrekt de kazerne (coll. B.C. Cats)

De paviljoenbouw

In de tweede helft van de negentiende eeuw waren in Engeland het ziekteverzuim en de sterftecijfers onder militairen zo hoog dat een onderzoek werd ingesteld naar de oorzaken. Geconstateerd werd dat grote en massale gebouwen met weinig licht en lucht een slechte invloed hebben op de gezondheid van de militairen. Kleinere gebouwen in een ruime omgeving zouden een oplossing bieden en zo ontstond de paviljoenbouw. Het duurde echter nog een halve eeuw voordat dit idee in ons land navolging vond. Een voorbeeld was de Kromhoutkazerne aan de rand van Utrecht (19101912). Twee genieofficieren, kapitein A.E. Redelé en luitenant W.M. Dudok (de latere gemeente-architect van Hilversum) hebben destijds geijverd voor dit type kazerne. De bouw van deze kazerne betekende een definitieve breuk met de verouderde massa-legering. De verschillende functies (burelen, keuken, eetzalen, kantine, lesgebouw, enzovoort) werden in afzonderlijke paviljoens gehuisvest en voor de functie ‛logies’ werden zelfs meer (van dezelfde) paviljoens gebouwd.

De paviljoens voor logies waren twee of drie bouwlagen hoog. Bij de situering werd rekening gehouden met voldoende licht-, lucht- en zontoetreding. De nadruk lag op het functionele karakter van de kazerne (sobere en zakelijke bouwstijlen) in plaats van de tot 1900 gebruikelijke expressie van het machtsvertoon (neoclassicisme tot eclectisme).

     
Legeringsgebouwen Palmkazerne (coll. HKB)
 

De paviljoenbouw werd dus niet alleen om redenen van hygiëne maar ook uit esthetische overwegingen geprefereerd boven het systeem van massa-legering. Dudok schreef hierover naar aanleiding van de bouw van de Kromhoutkazerne:
“De massabouw is wel meer monumentaal, maar door de groote verscheidenheid der onderdeelen van een kazernement is daarmede nooit een architectuur te verkrijgen zoodat aan de gebouwen een onlogische opzet moet worden gegeven, waarbij concessies zijn te doen, welke naar onze moderne opvatting niet in overeenstemming zijn met de artistieke moraal. Door den paviljoensbouw wordt een overzichtelijke en systematische organisatie juist getypeerd. De karakteristieke samenstelling van het leger moet ook in de kazerneering spreken in een overzichtelijk gebouwencomplex, waarvan de kern wordt gevormd door hoogst eenvoudige logiesgebouwen, goed begrepen baksteenbouw, door de grootsche werking der vlakke muren getuigend van frischheid en kracht. Het element der herhaling geeft ernst en waardigheid; de bijgebouwen zorgen door hun paviljoenbouw een stedebouwkunst in het klein, waarbij de stedebouwer tevens de gebouwenarchitectuur beheerscht.”

 

 De Boost-kazernes

Na de Eerste Wereldoorlog kwam de kazernebouw in ons land tot stilstand tot midden dertiger jaren. Onder invloed van toenemende internationale spanningen, veroorzaakt door de Duitse expansiepolitiek, besloot de Nederlandse regering in 1936 tot het opvoeren van de legersterkte door verdubbeling van de duur van de eerste oefening voor dienstplichtigen. Als gevolg hiervan moest de capaciteit van de legeringsruimte worden uitgebreid. Daarom kreeg de kapitein der genie A.G.M. Boost in 1937 opdracht hiervoor een kazerne te ontwerpen.

     
 
Kapitein A.G.M. Boost, de ontwerper van de
kazerne (Bron: Hist. Genieverzameling Vught)

Boost koos voor een bouwstijl die aansloot bij de toen heersende zakelijk-expressieve mengstijl, voortgekomen uit de grote stromingen van de jaren ’20 en ’30: de Amsterdamse School, Delftse School en het Nieuwe Bouwen/Functionalisme. Zo kregen de kazernes ook de in die tijd veel toegepaste stalen ramen en kozijnen. De kazernecomplexen moesten beslotenheid uitstralen en een afwerend uiterlijk vertonen. Boost bereikte dit door groepering van gebouwen rondom pleinstructuren en het toepassen van een hoofdgebouw met een poortonderdoorgang.

Het ontwerp voorzag in legeringsgebouwen voor 100 man in twee bouwlagen, gegroepeerd rond een middenplein met aan het eind een keukengebouw annex eetzaal. Aan de kop stond het multifunctionele poortgebouw. Hierin bevonden zich de centrale in- en uitgang, enkele burelen en de officiers-, onderofficiers- en soldatenkantines. Kazernes waar zo’n hoofdgebouw door ruimtegebrek niet kon worden gebouwd – zoals in Bussum – kregen voor de desbetreffende functies afzonderlijke gebouwen. Geheel in overeenstemming met de traditie volgde de architectuur van de nieuwe kazernes de heersende bouwstijlen van de civiele architectuur.

De nieuwe kazerne kende twee uitvoeringen: een voor bataljons, met drie legeringsgebouwen, en een voor regimenten (die uit twee bataljons bestonden) met zes gebouwen. In totaal zouden zestien kazernecomplexen van dit type worden gebouwd, waarvan twee voor een regiment. De meeste waren gesitueerd in de nabijheid van onze oost- en zuidgrens, van Zuidlaren tot Roosendaal. Omdat de kazernes voor het merendeel bestemd waren voor de tweede bataljons van de infanterie regimenten, die in verband met hun functie later ‛grensbataljons’ werden genoemd, heetten zij formeel ‛grensbataljonkazernes’, maar zij worden ook vaak naar hun ontwerper ‛Boostkazernes’ genoemd.

 

Burgerarchitect of genie-ontwerper? Maar geen verwennerij!

Ten tijde van de eerste paviljoenbouw van kazernes in het begin van de vorige eeuw gingen stemmen op om burgerarchitecten te belasten met de esthetische verzorging van de bouw in plaats van genieofficieren. De tussen 1910 en 1920 gebouwde kazernes zijn echter nagenoeg alle ontworpen door genisten.

      
Plattegrond van het kazernecomplex in 1960
(Documentatiecentrum St. Menno van Coehoorn)
 

Bij de voorbereiding van de bouw van de grensbataljonkazernes laaide de discussie weer op. Als argument voor de inschakeling van burgerarchitecten werd aangevoerd dat zij meer oog hebben voor een optimaal benutten van het toegelaten minimum aan hygiëne en comfort enerzijds en voor de architectuur anderzijds. De genist kapitein H.T.J.M. Lohmeijer mengde zich in deze strijd. Hij noemde het argument comfort ‛merkwaardig’ want de burgerarchitect zou zich net zo als de genieontwerper moeten houden aan de opgelegde financiële beperkingen. Maar hij voegde hieraan wel toe dat er “natuurlijk … verschillende gezichtshoeken (zijn). Een eisch om in de waschlokalen stroomend warm-water beschikbaar te stellen, zal door den gemiddelden genie-officier te weelderig worden geacht. De soldaat is niet in de kazerne om verwend te worden.”
Volgens Lohmeijer was het ‛zonderling’ een genieontwerper niet in staat te achten een modern project van een ideaalkazerne te maken. Maar hij had andere argumenten die pleitten voor de exclusieve inschakeling van de genieofficier. De ervaringen in China en Spanje (de burgeroorlog) noodzaakten tot speciale bouwtechnische voorzieningen om kazernes bestand te doen zijn tegen luchtbombardementen en geschikt te maken als schuilgelegenheid. Gewone gemetselde gebouwen, waarvan de massale instorting bij bomaanvallen zeker was, noemde hij verouderd. Hij concludeerde: “de kazernebouw heeft het domein van de burgerlijke bouwkunde verlaten en is getreden in een nieuw terrein van de duurzame versterkingskunst” waarvoor de genieofficier bij uitstek competent is.
Tenslotte betoogde de kapitein, dat verzorging van de schoonheid van de gebouwen door burgerarchitecten geen waarborg was voor het verrijzen van werkelijk esthetische complexen “getuige de vele gebouwen en projecten van architecten, die zeer en vogue zijn, maar welker vreugdelooze beklemming dagelijks waarneembaar is”.

Bussum krijgt een kazerne

In de aan kapitein Boost gegeven opdracht stond, dat de ontwerpen op 1 maart 1938 voltooid, en dat de kazernes op 15 maart 1939 gereed moesten zijn.

     
 
Oorspronkelijke opzet van de Kolonel Palmkazerne 1938 en de
gebouwen die in oktober 1939 in gebruik genomen zijn.
De gearceerde gebouwen zijn nooit op deze plaats of in deze
vorm gebouwd. Op de plaats van de keuken was slechts een
stookkelder met twee schoorstenen (coll. B.C. Cats)

Eén van de te bouwen kazernes werd geprojecteerd in de gemeente Bussum, op een stuk heide langs de Amersfoortsestraatweg. Deze locatie was gekozen, omdat de daar te legeren troepen zouden worden belast met de verdediging van het nabije deel van de Vesting Holland, een verdedigingsstelling die deels bestond uit de voormalige Nieuwe Hollandse Waterlinie. Met de bouw van de kazerne moest haast worden gemaakt, want het aantal dienstplichtigen was reeds verdubbeld voordat de kazernes er stonden. Op 18 mei 1938 diende de Eerstaanwezend Ingenieur (voetnoot 1) van het 2e Geniecommandement een aanvraag voor een bouwvergunning in bij de gemeente Bussum. Door bezwaren van de ‛Vrienden van het Gooisch Natuurreservaat’ en bewoners van de villa’s langs de Amersfoortsestraatweg werd de afgifte van de vergunning vertraagd tot 15 juli. Op 14 juni 1938 werd op het bureau van de Eal te Amersfoort de aanbesteding gedaan op basis van een raming van f. 470 000. Er waren 85 inschrijvers. De bouw werd gegund aan J. Gisbers te Zuilen, die met f. 458.530 de laagste inschrijver was. Onmiddellijk na het verkrijgen van de bouwvergunning werd met de bouw begonnen. De vroeg ingevallen, extreem strenge winter vertraagde de bouw ernstig, waardoor de opleveringsdatum van 15 maart 1939 niet werd gehaald.

Op 29 augustus 1939 mobiliseerde het Nederlandse leger in verband met een dreigende oorlog, die inderdaad op 1 september uitbrak. De kazerne werd toegewezen aan een opleidingseenheid, het 8e Depotbataljon Infanterie, waarvan de rekruten in Enkhuizen waren opgekomen. Dit bataljon kon – na de oplevering – op 18 oktober 1939 de kazerne betrekken.

 

Van der Palm- of Palmkazerne?

De Commandant Veldleger vroeg in juni 1938 aan zijn divisiecommandanten suggesties voor een naam voor de Bussumse kazerne. Deze actie werd doorkruist door de minister, die dezelfde vraag stelde aan de directeur van het Krijgsgeschiedkundig Archief van de Generale Staf. Overeenkomstig diens voorstel werd, bij Legerorder 395/1938, de kazerne genoemd naar François Palm (1620-1674). Deze had als kolonel der Mariniers in september 1673 een belangrijk aandeel gehad in de herovering van de vesting Naarden op de troepen van Lodewijk XIV. De militair-historische interesse van het officierskorps was kennelijk niet groot, want op een bord bij de ingang prijkte gedurende veertig jaar de naam ‛Van der Palmkazerne’, naar luitenant-generaal P.J. van der Palm, die van 1925 tot 1929 chef van de Generale Staf was geweest. Het bord werd in 1980 vervangen aan de vooravond van een bezoek van koningin Beatrix, wier dossier- en feitenkennis befaamd en gevreesd was.

 

De Bussumse kazerne

Het 8e Depotbataljon betrok een kazerne die bestond uit zes legeringsgebouwen (in de afbeelding van de oorspronkelijke opzet aangegeven met de letters A tot en met F, in 1976 voorzien van de nummers 1 tot en met 6 en in het vervolg met deze nummers aangeduid). Elk legeringsgebouw was berekend op een infanteriecompagnie (100 soldaten). Het telde vijf manschappenkamers, die met schotten waren gehalveerd. Elke halve kamer bood legering aan 10 soldaten. De onderofficieren sliepen in hetzelfde gebouw in de onderofficierskamers. De soldaten sliepen op strozakken in kribben die met hoofdeinde tegen de muur stonden. Boven het hoofdeinde hing een kastje voor de kleding en uitrusting.

Kleinere legeringsgebouwen
in een ruime omgeving
was de oplossing
     

Nieuw waren de eetzalen waarvan elk legeringsgebouw er twee per etage bevatte. Zij werden ook gebruikt als leslokalen. Er hoefde dus niet meer op de legeringskamers te worden gegeten. Verder bevond zich op elke etage een waslokaal met twintig kranen (en koud stromend water! Geen verwennerij dus). Uit hygiënische overwegingen werden twee buitenprivaten gebouwd (gebouw 7 en 15). De toiletten in de legeringsgebouwen dienden als nachtprivaten. Modern was de centrale verwarming (de enige in de Boostkazernes. Dus toch een beetje verwennerij?). Hiervoor waren aan de westzijde van de appelplaats een stookkelder voor twee verwarmingsketels met schoorstenen en een kolenkelder gebouwd. Overigens verliep de ingebruikneming van deze installatie niet zonder problemen, als gevolg van stagnatie in de levering van het materiaal in combinatie met de strenge winter.

Het ontworpen hoofdgebouw en het keukengebouw waren niet geplaatst. Voorlopig zou een keukenbarak, die aan de voorzijde van de appelplaats was neergezet, als manschappenkeuken dienst doen. Vóór gebouw 6 was een houten manschappenkantine geplaatst en voor de wacht bij de ingang een barak.

     
 
Vernield legeringsgebouw na het geallieerde bombardement
op 28 november 1944 (coll. B.C. Cats)

De kazerne in de oorlog

Na de capitulatie van het Nederlandse leger op 14 mei 1940 ontruimde het 8e Depotbataljon de kazerne. Deze werd vervolgens korte tijd gebruikt door de Opbouwdienst, een organisatie voor het opvangen van gedemobiliseerde militairen die geen burgerwerkkring hadden en konden worden ingeschakeld bij de wederopbouw. Reeds in de zomer van 1940 is de kazerne door de bezetter in gebruik genomen. Tot 25 november 1944, toen een geallieerde luchtaanval hieraan een abrupt eind maakte. Alle gebouwen, behalve gebouw 4, werden zo zwaar beschadigd, dat zij onbruikbaar waren. Kapitein Lohmeijer had dus gelijk gekregen. De leegstaande kazerne werd nogmaals getroffen bij een geallieerde luchtaanval op 21 maart 1945.

 

Herstel en vernieuwing

Na de bevrijding werd een kazernecomplex aangetroffen dat grotendeels in puin lag. Alleen gebouw 4 was minder zwaar beschadigd. Het personeel van de buitenbewaking van het interneringskamp Crailo, waar collaborateurs waren gedetineerd, had echter dringend behoefte aan legering. Met triplex werden de ramen van gebouw 4 gedicht, want bouwmateriaal was schaars in ons zwaar beschadigde land en kazernes hadden geen prioriteit. Pas in 1946 kon dit gebouw weer glasdicht worden gemaakt.

     
 
De in 1963 in gebruik genomen manschappeneetzaal. Deze
was tegen de keuken aangebouwd, waar het eten aan een
uitdeelloket op roestvrijstalen borden aan de soldaten werd
uitgedeeld. De tafels in de eetzaal hadden aan elke zijde
acht daaraan bevestigde zitplaatsen (coll. B.C. Cats)

Het herstel kwam moeizaam op gang. Maar in 1950 waren de legeringspaviljoens – waarvan gebouw 3 volledig herbouwd was – weer in gebruik.

In 1954 werd op het terrein achter het wachtgebouw een moderne manschappenkantine gebouwd. In 1963 werd een nieuwe manschappeneetzaal in gebruik genomen. Hierdoor behoefde niet langer in de legeringsgebouwen te worden gegeten en kon het eten rechtstreeks vanuit de keuken via loketten, en dus warm, worden uitgedeeld.

     
Door de op 14 november 1957 neergestorte Amerikaanse
straaljager beschadigde legeringsgebouwen 2 en 3
(coll. Algemeen Fotopersbureau Nederland)
 

Op 14 november 1957 werd de kazerne landelijk nieuws. Een Super Sabre F-100 straaljager van een op Soesterberg gelegerd Amerikaans squadron stortte kort na de middag neer op de kazerne. Het in 1950 herbouwde legeringsgebouw 3 en een deel van gebouw 2 werden vernield. Er waren vijf doden en zestien gewonden te betreuren, van wie twee ernstig. In de zeventiger jaren zijn de paviljoens 3, 4, 5 en 6 gerenoveerd omdat ze niet meer voldeden aan de eisen van de tijd. De gebouwen 1 en 2 zijn in 1986 en 1988, gerenoveerd. Bovendien werden op het terrein van de kazerne een commando- en lesgebouw en een hotel gebouwd. Dit laatste als logies voor officieren en onderofficieren die gedurende kortere of langere tijd cursussen in de kazerne volgden.

Als gevolg van de eind twintigste eeuw ingezette beperking van de legersterkte werd een reorganisatie doorgevoerd, waardoor de in de Palmkazerne gelegerde troepen in 2005 naar de Dumoulinkazerne in Soesterberg zijn verhuisd. Op 22 februari 2006 verlieten de laatste soldaten de kazerne. Het terrein en de gebouwen werden overgedragen aan Domeinen. Hierna werden talloze plannen voor een herbestemming van het complex bedacht, maar geen daarvan is tot dusver gerealiseerd. Het complex wordt tijdelijk bewoond door antikraakwachten.

Bij de herbestemming is het belangrijk, dat dit complex van zes legeringsgebouwen niet aangetast wordt. Het ontleent juist zijn karakter aan de veelheid van gebouwen in een specifieke compositie. Het is daarom te hopen, dat alsnog een zodanige herbestemming zal worden gerealiseerd, dat dit uit architectuurhistorisch oogpunt belangwekkende militair erfgoed als geheel zal worden behouden.

Met dank aan majoor tit. b.d. B.C. Cats (o.m. voormalig commandant van de Palmkazerne), en ir. L. Wierenga.

Noot:

Eerstaanwezend Ingenieur (EaI): genieofficier die verantwoordelijk is voor het vastgoed (gebouwen, terreinen e.d.), eigendom van het Ministerie van Defensie, in een bepaald deel van het land.

Over de auteur: Jaap van Welsen heeft diverse publicaties op zijn naam staan over verschillende militair-historische en verwante onderwerpen, maar ook over diverse aspecten in de Bussumse historie.

Literatuur

  • Cats, B.C, Kolonel Palmkazerne 50 jaar. Bussum, 1989.
  • Finaly, I. Herbestemming van kazernecomplexen. Delft, 1994.
  • Finaly, I. ‛Herbestemming van kazernes’ (Inleiding, Naarden, 3 december 1994).
  • Finaly, I. ‛Kazernes onder vuur! Typologische kenmerken als basis voor instandhouding en herinrichting van kazernes.’ Jaarboek Monumentenzorg 1999.
  • Leenders, Chr. ‛Van legerplaats tot woon- en werkgebied? Het beoogde hergebruik van de Kolonel Palmkazerne’. Bussums Historisch Tijdschrift, 28/1 (mei 2012) pag. 16-22.
  • Lohmeijer, H.F.J.M. ‛Het kazernevraagstuk’. Militaire Spectator. 107 (1938) 2.
  • Polman, A.B. ‛ “De Nieuwe kazerne”: Willem Marinus Dudok (1884-1974) en de militaire bouwkunst’. Armamentaria. 36 Delft, 2001.
  • Schukking, W.H. ‛De historische ontwikkeling van de kazernebouw’. Militaire Spectator. 102 (1933) 2, 3.
  • Welsen, H.J. van. ‛Bussum als militaire plaats’. Tussen Vecht en Eem, 26/3 (september 2008) pag. 167-179.
  • Welsen, H.J. van. ‛De brigade Bussum van de Koninklijke Marechaussee’. Bussums Historisch Tijdschrift, 25/1 (april 2009) pag. 4-9.

 

 

 Bussums Historisch Tijdschrift 29/2 (augustus 2013) vier onpagineerde middenpagina's


Open Monumentendag, Bussum
14 en 15 september 2013, 12.00-16.00 uur

Macht en Pracht

(van de redactie)

Klik hier voor de pdf-versie van dit artikel.

 

 

 
Verlosserkerk
 

 

 
 
Maria/Koepelkerk

 

 
Gemeentehuis
 

 
 
Palmkazerne






www.historischekringbussum.nl

 

 

 

 

 

       
Het bureau van burgemeester Van Suchtelen van de Haare
in de kamer van wethouder Nen van Ramshorst.
(foto Jaap van Hassel)
 
     

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

     
De vijf glas-in-loodramen boven de ingang op de koorzolder in de Koepelkerk (1920/1921) aan de Brinklaan
(waarvan ook de onderzijden te zien zijn als je vóór in de kerk staat) zijnuit 1927 en ontworpen door Lambert
Lourijsen (1885-1950). Lourijsen was een kerkelijkkunstenaar; hij maakte ook ramen voor de St. Vituskerk
en de kapel van het Majellaziekenhuis. Hij behoorde tot de kring waar ook de architect van deze kerk, Jos Cuypers,
en kunstenaar Jan Toorop deel van uitmaakten. Op het gebrandschilderde glas staat een symmetrische
voorstelling van het paradijs afgebeeld, met onderaan gestileerde bloemen en planten in frisse groene
kleuren en zwierige sterrenslierten in warme kleuren erboven die bij het centrum uitkomen. In het centrum
is de afbeelding van het kruis met het Griekse Christusmonogram XP te zien. (foto Klaas Oosterom
     
      
Op 18 oktober 1939 betraden de eerste bewoners de Kolonel
Palmkazerne, het 8e Depotbataljon uit Enkhuizen. Met het hijsen
van de vlag werd de kazerne in gebruik genomen, feestelijkheden
bleven door de mobilisatie achterwege. (coll. HKB)
     
      
Kunstwerk in de Verlosserkerk.De brede baan onder staat symbool voor ons leven,
onze wereld in nood. Er is een Christuskruis in verwerkt. Links een staand kruis.
De stralen van boven verbeelden de barmhartige God, die via het staande kruis
uitkomst brengt. (foto Klaas Oosterom)
     

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 Bussums Historisch Tijdschrift 29/2 (augustus 2013) pag. 16-23


Grote Heren van Bussum, negen burgemeesters

Luud Wierenga en Titia van der Zee

Klik hier voor de pdf-versie van dit artikel.
Onderstaande illustraties zijn aanklikbaar voor een vergroting.

 

Bussum is sinds 1817 een zelfstandige gemeente met een burgemeester aan het hoofd. Henk Heijman is de 22e burgemeester van Bussum op rij. Elke burgemeester vertegenwoordigt een eigen tijd, met onderling verschillen in aanpak en stijl. Naast notulen van de gemeenteraad zijn er vooral krantenknipsels bewaard gebleven die een menselijk beeld geven van het doen en laten van onze burgemeesters. Bij het archiveren van al die knipsels, die dateren vanaf 1909, werd Titia van der Zee getroffen door de aardige wetenswaardigheden en kwam zij op het idee om die samen met Luud Wierenga ‛aan elkaar’ te schrijven. Aan een negental burgemeesters, vanaf de instelling van de gemeente tot na de tweede wereldoorlog, besteden wij hierna aandacht.

 

‛Schout onder Naardens vaandel’, Carel Besançon (1814–1817)

Bij hun komst in 1795 naar Naarden laten de Fransen ook hun sporen na in Bussum, zoals plunderingen en onbetaalde rekeningen. Dat herhaalt zich bij het beleg van (het Franse) Naarden in 1813 door de Hollandse troepen, gesteund door troepen uit Pruisen en Rusland. Tijdens dit laatste beleg krijgt Bussum van de Commissaris-generaal van het Departement van de Zuiderzee een provisioneel bestuur. Carel Besançon, een 33-jarige koopman uit Amsterdam, toentertijd secretaris van Naarden, eigent zich de leiding over Bussum en de ruim 400 bewoners toe. Maar Naarden noch Bussum moeten iets van deze man hebben. Zodra het beleg is opgeheven, wordt Bussum door de gouverneur van Holland (Tes van Goudriaan) herenigd met Naarden tot één gemeente. Bussumer Jan van Thienen wordt benoemd in het nieuwe Naardense (en Bussumse) gemeentebestuur, maar, heel handig, hij weigert dit. Hij stelt dat in Bussum al een wettig aangesteld bestuur bestaat (onder Besançon). Dit leidt tot allerlei verwikkelingen waarbij de gouverneur inziet dat Bussum definitief moet worden gescheiden van Naarden. Op 18 mei 1814, na het vertrek van de Fransen, neemt hij een merkwaardig besluit: Bussum en Naarden blijven verenigd en tegelijk handhaaft hij de provisionele schout van Bussum (Besançon). Nu, bijna 200 jaar later, is er weer discussie over zelfstandig blijven of samengaan.

 

‛Een bijbaan’, Jacobus Johannes Thierens Jacobszoon (1817-1820)

Drie jaar later, op 1 mei 1817 wordt Bussum een zelfstandige gemeente met de persoonlijke goedkeuring van Koning Willem I: “Wij Willem, bij de gratie Gods Koning der Nederlanden, Prins van Oranje Nassau, Groot Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz. In aanmerking nemende dat de toenemende vermeerdering van bevolking en welvaart, welke ten opzichte van Bussum plaatsvindt, aan de ingezetenen aldaar alle aanspraak geeft voor eenig op zichzelve staande, gemeente uit te maken”. Als eerste schout wordt benoemd Jacobus Johannes Thierens Jacobszoon, daarvoor stadssecretaris van Naarden. Carel Besançon wordt doorgeschoven, hij wordt gemeentesecretaris van Bussum. Duidelijk is dat de werkelijke zelfstandigheid van Bussum nog weinig voorstelt. Thierens beschouwt zijn functie meer als een bijbaantje. Hij heeft het drukker met zijn commerciële activiteiten, waaronder een postkoetsbedrijf in Naarden en hij weigert in Bussum te gaan wonen, terwijl dat een wettelijke verplichting is. Ook tegenwoordig gebeurt dat nog regelmatig tot ergernis van de burgers. Op 4 november 1820 wordt Thierens bij Koninklijk Besluit ontslagen.

 

      
Het eerste raadhuis stond tussen kruising Brinklaan / Raadhuisstraat en kruising Brinklaan / Kerkstraat;
schuin tegenover De Rozenboom. Aanvankelijk werd door de gemeenteraad overlegd in een herberg,
en daarna in een huiskamer. In 1847 kreeg de raadskamer een nieuwe vaste locatie. Hendrik Kaarsgaren
had namelijk een huis gebouwd, waarvan 1 kamer de raadskamer werd. Dit raadhuis is tot 1885 in gebruik
geweest; toen werd het nieuwe raadhuis aan Brinklaan 87 geopend. (coll. HKB)

 

‛Burgemeester van arme lieden’, Hendrik Banis (1821-1850)

Op 29 januari van het volgende jaar (1821) wordt de Bussumse winkelier Hendrik Banis tot schout benoemd. Hij had geen ervaring met bestuurlijke zaken maar “hij had het volle vertrouwen verworven door zijn rechtschapen en moedig optreden bij de plundertocht van de Fransen in 1814 en men begroette de benoeming dan ook met vreugde”. Hij drijft een winkel “welker hoofdzakelijk debiet bestaat in kruideniers en vette waren en daarbij eenige boeren- en vrouwengoederen, als gemeene katoenen kousen, mutsen, bonte, gaaren en lint”. Tegen deze nevenwerkzaamheden bestond klaarblijkelijk geen bezwaar. Waarschijnlijk waren de inkomsten ervan zelfs groter dan die van zijn functie als schout. 

      
Hendrik Banis (coll. HKB)
 

In maart 1825 komt er een kleine wijziging in het reglement op het ‛Bestuur ten platte lande’. In Bussum heeft dat voornamelijk tot gevolg dat de schout sindsdien burgemeester heet en het aantal raadsleden met één tot zes wordt uitgebreid.

Bussum een armoedig dorp
Bussum is dan wel bestuurlijk zelfstandig, burgers en gemeente kunnen zich nauwelijks bedruipen. De werkgelegenheid stelt weinig voor: twee fabrieken, een voor ‛fijlen’ (dweilen) en een voor lampenkatoen. Daarnaast is er een scheepsbeschuitbakkerij. Er werken ongeveer twee vaste knechten en enkele losse krachten. De landbouw op de schrale zandgrond brengt weinig op, hoofdzakelijk rogge en knollen als tweede gewas. Het vee vindt nauwelijks voedsel, van veeteelt is daarom geen sprake. Voor sommigen valt er wat te verdienen aan de zanderijen.
In 1808 bedraagt het aantal behoeftigen bijna een kwart van de bevolking (130 van de 550 personen). Banis verklaart dat het haast onmogelijk is heffingen in rekening te brengen, ondanks de goede wil van burgers, door de merendeels mislukte oogst en verval van alle takken van bestaan.

      
 
In 2005 aan de Burg. Banisstraat herplaatste steen
van de verdwenen korenmolen Brinklaan hoek
Nieuwe Enghlaan (foto Jaap van Hassel)

De verspreiding van cholera is reden voor het Rijk gemeenten op te dragen een speciaal gebouw voor verpleging in te richten. Banis telt zijn centen en vindt dat zo’n instelling de burgers teveel zal verontrusten, zodat niemand er gebruik van zal maken. Gelukkig blijft Bussum verschoond van de epidemie.

Op initiatief van Banis wordt in 1832 het armenfonds versterkt door met lijsten en bussen rond te gaan. De burgemeester stelt zelf een voorbeeld door zijn salaris te verlagen naar 100 gulden per jaar. De secretaris doet mee. De gedeputeerden van de provincie steken er echter een stokje voor. Ook het salaris van boswachter Van Loenen wordt niet verlaagd. Als deze echter sterft, vindt men Gerrit Brand bereid om tegen een daalder per week te fungeren als bode en als dienaar van het gezag. Hij gaat er daarbij van uit dat hij het zonder driekanten hoed, jas en schiettuig kan doen, wat blijkbaar een hele besparing is.
Hendrik Banis heeft zijn functie 29 jaar vervuld en is daarmee de langst zittende burgemeester van Bussum.

 

‛Regent van Bussum’, Reinse Keijzer (1862-1868)

Reinse Keizer is assistent-resident in Indië geweest voordat hij in Bussum wordt benoemd. Waarschijnlijk hierdoor is zijn optreden zeer autocratisch. Hij beschouwt zichzelf hoofd van de gemeente met de wethouders als bijzitters en met een raad die alleen ja of nee mag knikken, geen centrum van bestuursinitiatief dus. Hij wil het roken verbieden en raadsvergaderingen op de ochtend houden. De raad verzet zich daartegen en komt niet opdagen. Hij beschuldigt de raadsleden van verbreken van de eed. Dit leidt tot een staking van de raad, waarschijnlijk de eerste in Nederland. Hij weigert ook de wethouders een eigen sleutel te verstrekken. Minister Thorbecke moet tussenbeide komen. De raad en de wethouders krijgen hun zin: de burgemeester moet minder autoritair opreden. Hij krijgt de bijnaam Keesje-koud-eten, waarschijnlijk omdat door al die conflicten de vergaderingen nooit op tijd plaatsvinden of afgelopen zijn. In 1868 strijkt Keijzer de vlag.

Maar vijf jaar later, in 1874, komt de trein naar Bussum. Daarna verandert Bussum in rap tempo van dorp van kleine lieden in een dorp van grote heren.

 

‛Te groot voor Bussum alleen’, Pieter Langerhuizen (1877-1883)

   
      
Pieter Langerhuizen
(bron F.J.J. de Gooijer)
 

De gemeenteraad wil secretaris Roest benoemen doch de Commissaris van de Koning benoemt Langerhuizen. Deze is een van de vele grondspeculanten die profiteren van de komst van de Ooster Spoorweg. Hij wordt in zijn speculatie gehinderd door de Vestingwet met het Offensief voor Naarden, de Werken (fortjes) 1 t/m 5 rondom Bussum en de bijbehorende verboden kringen. Hij is ook eigenaar van landgoed Crailoo (voetnoot 1) (waar nu een bekende televisiepresentatrice woont) en een aartsgokker op de paardenrennen (die waren dichtbij op de heide).Hij is tegelijk burgemeester van Huizen en heeft weinig op met de Bussumers! Het gevolg is dat hij meer onderweg is dan aanwezig bij beide gemeenten. De rijke Spiegelbewoners nemen dat niet. Zij stellen een lijst op met zestien zware grieven en sturen die aan de Commissaris van de Koning.
In de Amsterdammer verschijnt het bericht dat de burgemeester zich genoodzaakt ziet om tot herstel van zijn geschokte gezondheid naar Parijs te verhuizen. Door een oppositie van 116 hoofden van gezinnen wordt hij in juli 1883 nog wel herbenoemd, maar in november van hetzelfde jaar neemt hij zelf ontslag.

Langerhuizen is wel degene die het initiatief heeft genomen het eerste ‛echte’ raadhuis in Bussum te bouwen!

 

‛Bussum ontwikkelt’, Jonkheer Reinier Van Suchtelen van de Haare (1884-1909)

De familie Van Suchtelen is een Overijssels adellijk geslacht van militairen en burgemeesters. Reinier is 51 jaar als hij in Bussum wordt benoemd. Hij wordt enthousiast ingehaald met wapperende vlaggen en erepoorten.

      
 
Opening raadhuis 7 mei 1885 (coll. HKB)

Onder zijn bestuur is er veel tot stand gekomen, omdat het dorp zich in die periode begint te ontwikkelen. Zo wordt het nieuwe (oude) raadhuis aan de Brinklaan gebouwd. Na een prijsvraag wordt op 2 november 1882 niet de Rotterdamse architect J. Verheul gekozen (mooi maar duur!) maar de Bussumse architect J.F. Evers. Op 7 mei 1885 wordt het nieuwe raadhuis in gebruik genomen. Van Suchtelen verklaart dat het gebouw het mooiste raadhuis is van de wereld, tenminste van Nederland. Vermeldenswaard is dat zo’n tachtig jaar later bij het ontwerp van het nieuwe (huidige) gemeentehuis een gezaghebbend bouwblad verklaart dat het oude raadshuis een smakeloze mengelmoes is van stijlen, dat in geen enkel opzicht voldoet aan de eisen van de tijd (het kan verkeren).

       
Gedenkstuk door de raad aan Van Suchtelen aangeboden bij zijn
25-jarig ambtsjubileum (foto Jaap van Hassel
 

Op 1 juni is het weer feest, het nieuwe post- en telegraafkantoor wordt geopend. Nog maar een jaar later, op 8 november 1886, wordt er alweer geschiedenis geschreven: op het raadhuis wordt het eerste gasvlammetje van de gasfabriek van dr. Hafkenscheid ontstoken.
Van Suchtelen geniet de sympathie van de bevolking. Hij is een magistraat van de oude stempel. Hij stuurt de hond van Lambert Majoor uit de raadzaal. Lambert is gewoon zijn hond Sultan mee te nemen naar de raadszitting tot ergernis van Van Suchtelen. Als de discussie hoog oploopt en de vuisten op tafel slaan, begeleidt Sultan dat met hard gekef. Als Van Suchtelen het aan de stok krijgt met ‛Ome’ Lambert, bijt Sultan de burgemeester in zijn broek.

       
 
De lantaarn midden op het kruispunt, het gebouw  erachter
is De Vonk (coll. HKB)

Na 25 actieve jaren viert hij op 26 december 1908 zijn zilveren ambtsjubileum. Bij die gelegenheid krijgt hij een lantaarn en een bank aangeboden. Deze Van Suchtelenlantaarn en bank worden geplaatst op de kruising Meerweg/Lindelaan, bij de spoorwegovergang naar de Nassaulaan/Vlietlaan. Daar blijken lantaarn en bank na enige jaren flink in de weg te staan en ze verdwijnen in depot. Na jaren een teruggetrokken bestaan te hebben geleid worden lantaarn en bank aan het P.J. Lomanplein geplaatst.

Een jaar na zijn jubileum, maar nog steeds in functie, overlijdt hij op 75-jarige leeftijd. In het memoriam in de Bussumsche Courant van 17 maart 1909 wordt geschreven dat het overlijden “een levendige ontroering in Bussum te weeg heeft gebracht”. Het bureau waar hij jarenlang aan gewerkt heeft, verdwijnt na modernisering van het meubilair, maar wordt weer opgekocht via een handelaar. Wethouder Nen van Ramshorst zetelt tegenwoordig aan het bureau.

 

‛Bussum groeit door’, Herman Theodoor s’Jacob (1909-1919)

De familie s’Jacob is een bekend patriciërsgeslacht. Herman wordt geboren in Den Haag. Hij is een bekwaam bestuurder van CHU-huize. Hij doorloopt een gevarieerde loopbaan, waarbij hij gemeenteambtenaar, schoolopziener, wethouder en burgemeester is. s’Jacob is drie jaar burgemeester van Loosdrecht voordat hij burgemeester van Bussum wordt. In zijn bestuursperiode groeit de bevolking van Bussum sterk van 12.000 naar 18.000 mensen. De Gooise HBS wordt gesticht.
In 1918 wordt de honderdjarige zelfstandigheid van Bussum gevierd. Bij die gelegenheid houdt hij in de gemeenteraad een ‛doorwrochte’ redevoering. In dezelfde raadszitting wordt besloten tot de stichting van een ‛inrichting voor ouden van dagen’, de Godelinde-Stichting.

In 1914 breekt de Eerste Wereldoorlog uit. De Nieuwe Hollandse Waterlinie wordt gemobiliseerd. De Werken van het Offensief voor Naarden, waaronder het nu nog bestaande hoofdwerk Werk IV, rondom Bussum worden in paraatheid gebracht. Daarnaast geeft hij in augustus de legerleiding bevel tot het inrichten van een infanteriewal en zeven schansen van Huizen langs de zuidkant van Bussum tot aan ’s-Graveland. Het huidige ‛Hobbeltjespad’ bij Heidezicht was er een onderdeel van (voetnoot 2). Begin 1915 wordt een compagnie veldpioniers in Bussum gelegerd, spoedig gevolgd door grotere eenheden infanteristen behorend tot de Iste Divisie. Een groot deel van deze militairen wordt ondergebracht in scholen in Bussum. s’Jacob verlaat Bussum na tien jaar in 1919 om, net als zijn vader, Commissaris van de Koningin in Utrecht te worden.

 

‛De visie op Bussum’ Hugo de Bordes (1919-1938)

Burgemeester s’Jacob wordt in 1919 opgevolgd door een andere sterke figuur: Hugo de Bordes. Hij heeft een aangeboren gezag en is een erkend natuurbeschermer. Al in 1920 wordt hij geconfronteerd met het plan van het Rijk tot samenvoeging van Gooise gemeenten als Laren met Blaricum en Bussum met Naarden. Naarden verzet zich daartegen, zodat het plan de ijskast ingaat (en er af en toe uitkomt). Bussum wil omringende natuurterreinen aankopen om te voorkomen dat deze gebruikt worden voor bebouwing. Daarom wordt ook Bantam (gemeente Hilversum) aangekocht.

      
Hugo de Bordes bij het Raadhuis (coll. HKB)
 

In 1932 schrijft hij zijn visie over Bussum als forensendorp. De uitwerking van die visie is nog dagelijks zichtbaar in het Brediuskwartier en het Mouwtje. Het Uitbreidingsplan Zuid van 1929, als de kringenwet is opgeheven, wordt in vergelijkbare vloeiende lijnen opgesteld.
Het kenmerkende van een forensenplaats is volgens hem het gemis van handel en industrie, althans van grote omvang. Bussum is daarvan een typisch voorbeeld. “Een groot aantal ingezetenen verlaat dagelijks vroeg de woongemeente om in de werkstad (Amsterdam) te ‘arbeiden’ en daarna in het aantrekkelijke tuindorp terug te keren.” De koopkrachtige bevolking heeft aanleiding gegeven tot een fraaie en welvarende winkelstand.
Er wordt paal en perk gesteld aan het gaandeweg terugdringen van de natuur door het stichten van het Gooi-reservaat (nu het GNR). 

     
 
De Bordes boven de wethouders (coll. HKB)

“In de ‛ongunst der tijden’ ” – citaat van De Bordes – “is het een rustige gedachte dat de bekoring van het wonen in deze aantrekkelijke gemeente, gelegen in een door de natuur zo kwistig bevoordeelde landstreek, niet kan worden weggenomen en dat het wonen aldaar ook onder sobere levensomstandigheden een genot blijft.”
De visie van De Bordes om industrie en het vestigen van arbeiders te weren wordt jarenlang aangehouden. Pas in de crisisjaren laat de gemeente achter de Stevinweg woningen bouwen voor ‛ambachtelijke vestiging’. In de periode van De Bordes groeide Bussum van 18.300 naar 28.790 inwoners.

De Bordes had ook menselijke (zwakke) eigenschappen. Als de raadzaal wordt ingericht en er stoelen worden aangeschaft voor burgemeester en wethouders, laat hij zonder er iets van te zeggen blokken van meer dan 10 cm onder de burgemeestersstoel aanbrengen. Als je president bent, moet je toch boven de wethouders staan!

     
De twee ambtsketens van Bussum
(coll. HKB)
 

Bij zijn koperen (12,5-jarig) jubileum werd De Bordes een bank bij het Vijverpark, met uitzicht op het Goois Natuurreservaat, aangeboden. Deze stenen bank met fraaie moderne lijnen, ontworpen door de directeur gemeentewerken ir. Gerber is helaas in de loop der jaren vervallen en afgebroken.

      
 
De Bordesbank geopend 1 mei 1932 (coll. HKB)

De Bordes ergert zich jarenlang aan de nogal simpele ambtsketen van Bussum. De raad komt daarom op het idee om hem bij hetzelfde koperen jubileum – de Raad is De Bordes blijkbaar veel verschuldigd – een passende fraaie keten aan te bieden. De keten wordt ontworpen door wethouder (architect) Kruisweg en edelsmid L. Bosch uit Schoonhoven. Het is een schitterende zilveren keten geworden.

Als De Bordes met pensioen gaat, neemt hij de ambtsketen mee naar huis. Hij meent dat het een persoonlijk geschenk is geweest. De gemeenteraad is er verlegen mee. Zijn opvolger moet het met het vroegere dunne kettinkje doen. De Raad laat tactvol weten dat de ambtsketen in Bussum behoort. De Bordes houdt zich doof. Als burgemeester Fernhout naar de koningin moet, wordt opnieuw om de keten gevraagd. De Bordes deelt mee dat Fernhout hem wel mag lenen, als hij belooft dat niemand anders de keten zal dragen. Fernhout antwoordt ferm: nee, iedereen die voorzitter is van de raad kan de keten dragen. Dus krijgt hij de keten niet van De Bordes. Als hij 80 jaar wordt, op 17 februari 1953, 14 jaar na zijn afscheid schenkt De Bordes de keten aan de gemeente.

 

‛Bussum viert feest en bezuinigt’, Johannes Cornelis Haspels (1949-1965)

In de nieuwjaarsrede van 9 januari 1958 reageert Haspels op de situatie in Nederland: Zo zijn we thans vervuld van het feit dat vele Nederlanders genoodzaakt zijn Indonesië te verlaten en naar Nederland terug te keren. Hoewel daardoor onze moeilijkheden worden vergroot, zal het Nederlandse volk zijn plicht tegenover hen hebben te verstaan. Wij zullen hebben te tonen dat de rechten van de mens in Nederland gewaarborgd zijn. 

     
 
Haspels getekend door Bernhard
van Vlijmen (foto HKB)

Diverse burgemeesters vieren een jubileum tijdens hun ambtsperiode, zoals Van Suchtelen en De Bordes.Haspels, die eerst geruime tijd burgemeester in Enkhuizen is geweest, viert op 4 november 1960 zijn zilveren ambtsjubileum in Bussum. Dit wordt uitbundig gevierd met een zanghulde, een aubade door kinderen in de Wilhelminakerk, een bijzondere raadsvergadering, een feestelijke bijeenkomst met het personeel van de gemeente en vooral vele toespraken (de bijeenkomst duurt voort).
Bij de zanghulde wordt de burgemeester toegezongen door duizend jongens en meisjes. Er worden drie bekende Nederlandse liedjes gebracht, waaronder “Wij leven vrij wij leven blij”, met begeleiding van orgel en trompet. Voor de gelegenheid is een speciaal lied geschreven door gemeente-troubadour (J.P.J.H.) Clinge Doorenbos, voorloper van de huidige dorpsdichter Gaston Bannier. Het tweede couplet is wel fraai:

Daarom Jubilaris, ziet u ons hier staan
De Bussumse jeugd heft een feestgezang aan
Wij zingen u toe namens groot, namens klein
Wij allen zijn zo blij, dat wij Bussummers zijn
Heel uw gemeente is één groot gezin
Met een enorm aantal kinderen erin
U bent de vader, zo zorgzaam en goed
Heb dank voor wat u voor uw kinderen doet.

De voorzitter van het huldigingscomité de heer Flink zakt na het zingen, tot grote hilariteit, bijna door het speciale vlondertje. De 140 gasten voor de raadsvergadering kunnen met veel moeite in het (oude) raadhuis.
Volgens de raad heeft de komst van de heer Haspels naar Bussum een keerpunt betekend. In 2½ jaar tijd is het onder zijn bezielende leiding gelukt een tekort van 1.250.000 gulden weg te werken. De bijeenkomst met het personeel wordt door het echtpaar Clinge Dorenbos opgeluisterd met een kersvers lied. In dit lied rijdt burgemeester Haspels denkbeeldig op een autoped (moderne tijd) door de gangen van het nieuwe raadhuis, dat spoedig gebouwd zal worden.

 

Over de auteurs: Titia van der Zee en Luud Wierenga zijn medewerkers van de Historische Kring Bussum.

Noten

[1] Zie ook: Maatschappij tot Exploitatie van Bouwterreinen ‛Crailoo’, Bussums Historisch Tijdschrift, jaargang 29, nr. 1, pp. 4-9.
[2] Zie ook: Jaap van Welsen, Schansen uit de Eerste Wereldoorlog op de Bussummerheide, Bussums Historisch Tijdschrift, jaargang 28, nr. 2, pp. 21-25.
En: Deelgenoot, Blaricum, zomer 2012

 

Bussums Historisch Tijdschrift 29/2 (augustus 2013) pag. 14-15


1. Burgemeesters aan het woord:
Jan Aantjes - burgemeester van 1975 tot 1985

Jan-Willem Henfling

Klik hier voor de pdf-versie van dit artikel.
Onderstaande illustraties zijn aanklikbaar voor een vergroting.

Jan-Willem Henfling sprak met (oud)burgemeesters van Bussum

  “Waar de mensheid is
en haar weedom,
daar is mijn weg.”
   

“Leuk als je komt. Makkelijk te vinden. Ik woon zo’n beetje naast de toren van het KNMI. Richt je daar maar op.” Met die instructies was ik enkele dagen later op bezoek bij oud-burgemeester Jan Aantjes. Bijna 93 jaar oud, maar snel bewegend en sprekend als de jongste net gepensioneerde, die volgens recente opvattingen nog een paar jaartjes door kan werken.

      
   

Wanneer hoorde u voor het eerst van Bussum?

“Ik wist amper dat Bussum bestond toen De Gaay Fortman, toen minister van binnenlandse zaken, me belde en vroeg of ik er burgemeester wilde worden. Ik wilde eigenlijk niet weg uit Oud Beijerland, waar ze hielden van een burgemeester die zaken wist door te duwen. Mijn vertrek daar was een conflict tussen hoofd en hart. Ja, ik had natuurlijk wel eens van Bussum gehoord. Een zwager werkte in Huizen en als voorzitter van de ledenraad Noord Holland van de NCRV was ik ook vaak in de buurt. Ik wist iets van Bussum, maar Bussum kende mij in het geheel niet.”

Wat was het beeld dat bij Bussum hoorde?

“Een buitengewoon aantrekkelijke gemeente, die mij veel gelegenheid gaf tijd te besteden aan mijn nevenfuncties. In Oud Beijerland kon ik nooit een dag weg, maar in Bussum hadden de wethouders hun eigen taken en de burgemeester hoefde alleen de raad voor te zitten en zorgen dat er een goede sfeer was. En ik had met mevrouw Engelkes een voortreffelijke secretaresse. Die wist ook alles en hoe ik over bepaalde zaken zou denken.”
“Een anekdote uit de raad. Rechts van mij zat CDA en links zaten PvdA en PSP. Helemaal aan de overkant zat Frie Jansen van de VVD. Als de discussie tussen links en rechts weer eens moeilijk ging, dan zag ik aan de manier waarop Frie met zijn papieren schoof precies met welke kant de VVD mee zou gaan en kon ik bij de discussie iets meer aan links of aan rechts toegeven. Of hij het erom deed weet ik niet, maar het werkte wel zo.”
“Ik heb een buitengewoon boeiende tijd gehad in Bussum. Het was de tijd dat jonge academici de wereld in een middag dachten te kunnen veranderen. En daar hadden we het in Bussum ook mee te stellen met zo’n PSP in de raad. Inspraakrondes was niets voor mij. Ik ben meer van het doordrukken.”
“Na mijn pensionering had ik best in Bussum willen blijven. Maar ik behoor niet tot de burgemeesters die blijven wonen in de gemeente waar ze hun ambt hebben uitgeoefend. Ofwel men vindt je beter dan je opvolger, of men vindt je opvolger beter. Als je beter was, dan hoor je dat vooral van mensen die vinden dat iets verkeerd is, omdat ze hun zin niet hebben gekregen. Ze vragen dan wat je ergens van vindt. Maar een ex-burgemeester mag niks meer vinden.”

Is er iets als een Bussumse identiteit?

“Nee. Spiegel heeft een totaal andere identiteit dan de Spijkerstraat. U kent de Kleine Johannes? Daar ben ik nog altijd trots op. De eerste die ik heb uitgereikt was aan een communiste. Tante Alie (Brouwer) uit de Spijkerstraat. Die had in de oorlog alles gedaan voor kinderen. De spreuk op de sokkel is “Waar de mensheid is en haar weedom, daar is mijn weg.” Daarin herkende ik de motivatie van Tante Alie. Als calvinist en communist heb je een andere grondslag, maar in de uitwerking zijn ze erg hetzelfde. Bij mijn afscheid als burgemeester kreeg ik de Kleine Johannes in brons aangeboden en ik werd benoemd in de orde van Oranje Nassau. Ik had kennelijk niet voldoende fout gedaan en kreeg dus de orde omdat ik aan de beurt was. Maar op dat beeldje ben ik nog steeds trots.” (Het staat inderdaad prominent in de kamer.) “Bussum is een mooie gemeente. Maar is het ook een sociale gemeente? Ja, er wordt wel veel aan vrijwilligerswerk gedaan. Maar dat hoort ook bij je status. Je moet toch kunnen zeggen dat je dit of dat doet om mee te tellen … En als je je eenmaal ergens in verdiept, dan is het ook wel erg leuk werk. Maar dat maakt nog niet dat mensen uit het Spiegel en de Spijkerstraat sociaal met elkaar omgaan.”

Waar gaat het naar toe met Bussum?

“Voor Bussum bestaat maar één goede oplossing. Die is samen metNaarden. Verder niet. Als je een verambtelijking wilt, ja, dan moet je het vooral verder doorvoeren. Besturen is moeilijk genoeg. Als bestuurder moet je drie dingen verenigen. Je moet wijsheid bezitten en die is je door Hogerhand geschonken. Je moet inzicht hebben, aangereikt door medewerkers en uit de praktijk. En je moet ruggengraat hebben om naar eer en geweten tijdig de beste belangenafweging te maken. De complexe taken die op de gemeente afkomen kun je ook oplossen in samenwerkingsorganen. Met Huizen erbij, of een andere combinatie, krijg je een regering van ambtenaren. Ambtenaren zijn deskundigen op hun terrein, maar zijn geen bestuurder. En je moet als bestuurder de moed hebben om tegenstanders te maken, maar ook zorgen dat je geen vijanden hebt. In de Bussumse raad maakte de PSP mij vaak uit voor rotte vis, maar na afloop pakte ik wel een borrel met Platvoet.”

Hoe verbindt u Macht en Pracht met Bussum?

“Dat levert geen enkel verband op. Hoe hebben ze zo’n thema kunnen bedenken? Zal wel een commissie geweest zijn.”

 

Jan Aantjes is in 1920 geboren in Bleskensgraaf in de Alblassserwaard. Willem, een van de oprichters van het CDA, is zijn drie jaar jongere broer. Hun vader was zoon van een schoenmaker, die het met drie jaar lagere school bracht tot burgemeester van Hendrik Ido Ambacht. Hij overleed in het derde jaar van zijn burgemeesterschap. Daarvoor was hij onder meer kantoorhouder bij de posterijen en bureauhouder van de voedselvoorziening. Hij bracht het ook tot bestuurder van de Christelijke Boeren en Tuindersbond (CBTB), was lid van Provinciale Staten en kwam in de landbouwcrisisorganisatie. “Hij stond erop dat ik ging studeren, maar ik hoorde tot de kwajongens van het dorp. Mijn vriendjes waren vrij van school. Ik bereikte een compromis met mijn vader. Na de Mulo zou ik de kweekschool doen. De kortste opleiding die er toen was. Ik hield het in 1939 maar 4 of 5 dagen uit om les te geven en ging toen terug naar huis, waar mijn vader me op de voedseldistributie zette, want hij had zelf nauwelijks tijd voor al die bonnetjes”. Hij deed dat werk kennelijk goed, want vanuit die positie kwam Aantjes tijdens de oorlogsjaren te werken voor de voedseldistributie in Gouda, waar hij leerde dat het doel de middelen soms heiligt. Die inzet leverde hem later een verzetsherdenkingskruis op. Na de oorlog werd Aantjes secretaris van de CBTB. Van 1961 tot 1965 was hij burgemeester in Brakel (nu deel van Zaltbommel) en van 1965 tot 1975 van Oud Beijerland. Van 1975 tot 1985 was hij burgemeester van Bussum.

Bussums Historisch Tijdschrif jaargang 31 nummer 1 (april 2015)


 

 

 

 

Thema: Bevrijd

 

 

  

 

  

 

 

 Colofon en Inhoud
(van de redactie), pag. 1

Bevrijd!
(van de redactie), pag. 3
Zeventig jaar geleden kwam er ook voor Noord-Nederland een einde aan de oorlog die bijna op de kop af vijf jaar had geduurd. In deze aflevering van BHT blikken we terug op die gebeurtenis, en vooral ook op de maanden die daaraan vooraf gingen.

Honger januari-mei 1945
auteur: Nol Verhagen, pag. 4
De Bussumse huisschilder Piet Bierman hield van begin 1944 tot in de jaren ’60 op kassastroken een dagboek bij. BHT maakte een selectie uit zijn aantekeningen uit de maanden januari-mei 1945. Gezamenlijk geven die een goed beeld van hoe ‘een gewone Bussumer’ de maanden voorafgaande aan de bevrijding en de bevrijding zelf ervoer. Centraal daarin staat de honger.

Uit het dagboek van Piet Bierman, deel I: januari-maart 1945
(van de redactie), pag. 5-11

Uit het dagboek van Piet Bierman, deel II: april-mei 1945
(van de redactie), pag. 12-17

Herman Bierman, zoon van . . .
auteur: Nol Verhagen, pag. 18-19
Elders in deze aflevering van BHT kunt u lezen hoe Piet Bierman, huisschilder te Bussum, de bevrijding beleefde, maar vooral ook de hongerwinter die aan de bevrijding voorafging. Hij had maar liefst 9 kinderen, waarvan zijn zoon Herman de op een na oudste was. Geboren op 28 juni 1926 was hij in de hongerwinter van ’44 - ’45 18 jaar oud. Herman is erelid (‘Lid van Verdienste’) van de Historische Kring Bussum. Ik praat met hem over zijn vader, diens dagboek, maar ook over hoe hij zelf zich de hongerwinter en de bevrijding herinnert.

De Gooi- en Eemlander in en na de oorlog
auteur: Klaas Oosterom, pag. 20-23
Het dagblad De Gooi- en Eemlander bestaat al sinds 1871. In 1991 verscheen een boek over De Gooi- en Eemlander tijdens de bezetting en de daarop volgende bevrijding, van de hand van de vroegere hoofdredacteur Guus Pikkemaat. Het onderstaande artikel is grotendeels aan dat boek ontleend.

'Er zijn nog een paar bommen in het dorp gevallen . . .'
auteur: Klaas Oosterom, pag. 24-26
Nely Snieder was in 1944 21 jaar en verloofd met Kees Stegenga. Zij schonk ons een brief die zij eind november 1944 aan haar vriendin Metje in Stroe (Veluwe) schreef. Zij woonde Iepenlaan 7, tegenover het kerkje dat nu een woonhuis is. Haar brief geeft goed weer wat er in het najaar van 1944 in Bussum zoal gebeurde en hoe een jonge vrouw in het leven stond.

Kära Hannie!
auteur: Nol Verhagen, pag. 27-28
Iedere Bussumer die ouder is dan 75 jaar herinnert zich nog de bevrijding en de daaraan voorafgaande hongerwinter. Zo ook Hannie Hille - Overeem, destijds 10 jaar oud. Zij vertelt mij het verhaal van het Zweeds Wittebrood.

Luc Smink wenste duizenden Bussummers een goede reis en behouden thuiskomst
auteur: Jan-Willem Henfling, pag. 29-31
Op 16 januari werd het nieuwe thuis van de Bussumse Historische Kring in Station Naarden-Bussum formeel geopend in aanwezigheid van veel vrijwilligers en leden. Het nieuwe onderkomen, in een van de mooiste historische gebouwen van ons dorp, past naadloos bij de ambities van de vereniging. Om burgemeester Henk Heijman te citeren, die de opening verlevendigde met een korte toespraak: “De noodzaak om te verhuizen en de inspanning om in korte tijd een ander onderkomen te vinden heeft geleid tot duidelijke verbetering van de werkomstandigheden. Zo zie je maar dat veranderen soms goed is voor een organisatie.” Of nu deze toespraak dan wel de daarop volgende ‘onthulling’ van de historische panoramakaart met de routes van de Gooische Moordenaar door voormalig stationschef Luc Smink (88 jaar jong) de formele opening van het onderkomen was, werd mij niet duidelijk, maar ik kreeg wel de unieke kans om met deze markante oud-Bussummer te spreken. Sedert zijn pensionering in december 1985, na 40 jaar werken bij de NS, woont hij nu (weer) in Emmen.

Bussum in boeken
auteur: Klaas Oosterom, pag. 32
In deze rubriek bespreekt Klaas Oosterom recente en minder recente boeken die passen bij de onderwerpen in dit nummer. De boeken kunnen in het Documentatiecentrum van de Kring ingezien worden. Ze worden niet uitgeleend.

  • Een villadorp in benarde tijden 1914-1945
  • Metterdaad
  • O, dat Wintertje '45
  • Over Leven

 

Actueel

Maand van de Geschiedenis

'Wat een ramp!' Van persoonlijke rampen tot catastrofes die de samenleving ontwrichten: rampen zijn van alle tijden. In een periode waarin pandemieën, oorlogen, bosbranden en overstromingen de kranten en talkshowtafels in hun greep houden staat de maand oktober 2022 in het teken van het thema 'Wat een ramp!'. Er wordt niet alleen stilgestaan bij de verwoestende kracht van rampen, er wordt ook een ode gebracht aan de veerkracht en weerbaarheid die een ramp in de mens kan opstuwen. Bekijk HIER een video-trailer over de Maand van de Geschiedenis, die eind oktober in het Rijksmuseum wordt afgesloten met de Nacht van de Geschiedenis. Op 8 oktober is er een Open Dag van Tussen Vecht en Eem Er is onder meer aandacht voor het bloedbad van Naarden in 1572.

Foto van de maand

September 2022

Naar aanleiding van de evenementen ter gelegenheid van de Open Monumentendag in het gerenoveerde Bensdorpcomplex, deze maand een foto van een onderdeel van het fabricageproces zoals dat aan  het begin van de vorige eeuw plaats vond in de Bensdorpfabriek. Misschien heeft een van onze lezers daar wel verhalen over gehoord van iemand die dat nog meegemaakt heeft. Vertel het ons:
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.l  Alvast hartelijk dank voor uw reactie. 

HKB Nieuws

Toegang documentatiecentrum 

Werklieden hebben de laatste hand gelegd aan de vervolmaking van de hellingbaan die toegang geeft tot het documentatiecentrum van de HKB. Er werden loodzware blokken neergelegd van Portugese steen, anderhalve ton per stuk.  Het ziet er mooi uit, maar er is een probleem ontstaan met de toegang naar de vloer van het DC. Die ligt nu een stuk lager!  Onvoorbereide bezoekers dreigen nu een beetje naar beneden te storten. Dit zal ongetwijfeld op een aanvaardbare manier worden opgelost. 
(foto's Jaap van Hassel)

Actueel

Vredesprijs en Vredeswandeling 2022

Vorige week zaterdag werd voor de zesde keer tijdens de internationale Vredesweek in Gooise Meren de Vredesprijs uitgereikt aan hen die een positieve bijdrage hebben geleverd aan het samenleven in de gemeente. Dit jaar ging de prijs naar De Groene Ruijter (De GRRU) en @altijdwerkplaats. De prijs wordt gesymboliseerd in een Vredesboom, die evenals vorig jaar werd geplant in de tuin van de Koptisch Orthodoxe Kerk van St. Verena aan de Ceintuurbaan in Bussum. Voorafgaand kon men deelnemen aan de vredeswandeling, die liep door Bussum-Zuid via het voormalige Bos van Bouvy (nu woonwijk), de vijver bij de Anthoniushof en de Verzetsliedenbuurt weer terug naar de Ceintuurbaan. Nol Verhagen, Klaas Oosterom en Margreet de Broekert, vrijwilligers bij de Historische Kring  gaven uitleg en toelichting over deze locaties.

We hebben 117 gasten en geen leden online